Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

naar den seringenstruik, vragende waarom hij zoo kwistig is met de bloembladeren.

In fluistertoon antwoordt hij haar: „Weet gij niet, dat de menschen aan het geluk gelooven, dat mijn trossen hun voorspellen ? Hebt ge niet opgemerkt, hoe de arme geplaagden dezer wereld met vorschenden blik mijn bloemen bespieden, om te zien of er eenige met een grooter bladertal gesierd zijn dan gewoonlijk?

„Wist ge dan nog niet, hoe krampachtig zij zich aan datgene vastklampen, zelfs wanneer het maar een bloem is, dat hun voorspelt: Geluk? . . .

„Woeker met uw tyd, zooals ik met de hoop der menschen". „Ja - ook ik zal mijn werk bespoedigen. Zie, op gindsche zuiderhellingen heffen de donker violette hypatica's de teere hoofdjes op, schoon hier en daar nog enkele dunne sneeuwlaagjes herinneren aan den winter. Daaronder rust het glimmend zacht-groene sterke blad dat hen draagt. Begrijpt gij het, dat deze fijn gevormde zusteren zich durven te ontplooien, aleer het blad haar kan beschutten in het nieuwe leven?

Maar de seringenstruik kijkt haar aan en zegt: „Het zal aldus zijn, opdat de mensch leere, dat het brooze en teedere somtijds den weg baant voor iets sterkers dan ditzelf.

En de jonge denneboomen schudden hun naalden, de sneeuw stuift weg en valt als wit dons op de aarde. En zij bepoedert het kleine sleutelbloempje, dat noode tracht het hoofdje op te heffen met den lichtgelen stralenkrans van glimmend goud.

„Laat mij leven mijn leven!" smeekt het. „Mijn tijd is kort. Ik wil genieten — droomen — sterven."

Thans is het 'tnieuwe leven dat roept!

En de vogelen in luid zangerig gekweel lokken elkander onder getjilp van liefde. . .

„Komt en hebt lief, opdat ook onze min vrucht drage, laat bouwen ons het kleine nest, ver, ver van het oog der menschenen zijn wij dan moede, wij strijken neer, zoekende rust en liefde En de slanke zilveren berk verspreidt in hel groene schakeering

Sluiten