Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

100

het fijne kantweefsel, opdat het, als ontloken bladeren, eenmaal zal vormen een harmonie van trillende kleuren.

Dan wendt hij zich tot den ouden pijnboom aan zijn zyde en vraagt hem of hij rust vond in den langen winterslaap en zich verheugt over het nieuwe leven?

Doch in somberheid schudt deze de donker-glanzende naalden, terwijl hij ziet op het slanke wit-zil veren lint:

„Het geleek mij een vóórspel van het naderend einde. Ik ben oud en moe. Zal een menschenhand mij vellen ? Ik weet het niet. Zullen woeste stormen mij, half vermolmd, ter aarde werpen? Ik weet het niet. Ik vraag niet, doch wacht. En jongeren zullen komen, mijn plaats komt vrij. En zy ook zullen denken, dat het leven louter zonneschijn is, en niet denken aan de stormvlagen. Ik droomde eens, als zij. Nü weet ik, dat ik zou willen weenen, indien ik een mensch ware, — doch ik wacht. Sterven wil ik met den hemel boven, temidden van woudgezucht."

En op de aardkluiten, die zich uit vijvers en poelen verheffen, zetten zich de kikvorschen onder luid gekwaak. De vogelen zingen, begeleid door het gezoem der insecten, die krielen over het mos en opzwermen tot hoog tusschen de bevende bladeren.

Hoort ge het rijke stemgefluister, het koozend lokken der Lente? De Lente van Rusland?

En zult gij het ook verstaan?

Voelt gij, dat het niet het schuchter ontwaken is van een jong kindje, dat zich de moede oogjes wrijft, vragend rondziende?... doch dat van den kracht-mensch, die na gedwongen rust zich losrukt uit zijn kluisters, wijl de stem, die de Opstanding kondigt, heeft geroepen, geboden ? ...

Sluiten