Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK XV.

lil het heden 1 igt de toekomst, (lustrum heeft de meusch meur vuil de toekomst in zijn ïiiuclit, dun hij gewoonlijk denkt.

Eenige mooie zonnige lentedagen waren verloopen. Het zong in de natuur en alles lachte, schitterde en blonk in heerlijk frissche pracht. De wilde bloemen op de hellingen en diep beneden in de dalen, tooverden rijke kleurschakeeringen in het mos.

Ook op het erf te Nikolskoé heerschte groote bedrijvigheid, het scheen wel, alsof de krachtig ontluikende natuur de menschen op wilde wekken tot den arbeid, vermanende de handen te gebruiken tot het laten bloeien van den bodem.

Licht groen van kleur stond nog het winterkoren, dat lang onder een wit donzen sprei had gerust, naast de onbebouwde gronden, die slechts wachtten om te ontvangen.

Leven was het. Overal bloeiend leven.

Graaf Rostowzeff deelde echter niet in de algemeene stemming van het hem omringende. De brief was nog niet beantwoord, en het wachten op tijding maakte hem onrustig en gejaagd.

Olga Wadima bemerkte de neerslachtigheid van haar vader en

Sluiten