Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

rukt haar niet alleen den blinddoek van het gelaat, doch zal haar nog iets daarbij verhalen.

„Hij zal haar zeggen dat het aan dien vader zelf heeft gelegen, om dit alles zoo te laten blijven, dat hij het geloof in hem zelf in de hand had, en het verspeelde, — dat haar vader haar alles ontnam!"

„Het is waar," fluisterde het slachtoffer, angstig, droef. „Het is de vreeselijke waarheid."

„Laat mij tijd," verzocht hij.

„Neen !" antwoordde Mitrofan Saweljewitsj, hoonend, trotsch. „Mijn geduld is ten einde, nu ben ik het, die geen tijd heeft!"

Een vale tint had zich eerst over het gelaat van Graaf Rostowzeff verspreid; doch het werd blauw en scheen te verwringen. Hij hijgde naar adem, en drukte herhaalde malen met de hand op de linkerzijde.

Thans was het oogenblik gekomen, waarop Mitrofan Saweljewitsj zijn troefkaart zou spelen. Nu was het hem, als klonken hem de woorden tegen:

„Ben ik misschien mijns broeders hoeder?"

Hij boog zich dicht over Wadiem Alexandrowitsj henen, en boorde hem met eenige puntige volzinnen door het hart.

Graaf Rostowzeff sloeg de angstig-blikkende oogen op tot den satan, die hem vastgreep in zijn klauwen.

Liegen? Neen, dat niet. Nooit zou hij zelfs de wreedste waarheid verhelen. Dat niet!

„Dus" vroeg Mitrofan Saweljewitsj dringend, „stemt ge, in uw eigen belang en dat van uw kind, in het huwelijk toe?'"

„Stilte," luidde het weer gebiedend.

„Spreek!" klonk de stem van den ,satan' nu bevelend.

Toen klonk, als een zucht van sterven:

„Ja."

„Schrijf!"

„Ik kan niet" steunde Wadiem Alexandrowitsj. „Folter mij niet langer. Gij hebt mijn woord van edelman!"

„De dood spaart bedelaars, noch edellieden, en doet het gesproken woord verbleeken. Hij kan komen als een dief in den nacht. Voor

Sluiten