Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zal misschien sterven, doch dat weeklagen zal haar vervolgen, bij dag en bij nacht! Dan blaft een hond. Zij ziet naar den slapende, bevreesd, dat het geluid hem gestoord kan hebben, en vergeet, dat zij zelve hunkert naar zijn ontwaken.

Dat half verwrongen gelaat, is dat van haar vader? Haar oogen staren op het breedgewelfde voorhoofd, met een verlangen, even groot als onmogelijk, om te zien, wat daarachter zou te lezen zijn! Wat was er geweest — al die lange jaren, toen zij hem geheel bezat — wat in den laatsten tijd van onmerkbare vervreemding, en wat nu?

De assistent is aangekomen, en hij heeft zich, na een blik op den slapende te hebben geworpen, in het aangrenzend vertrek begeven. Traag sluipt de tijd. Met groote krachtinspanning gelukt het Olga de vermoeide oogleden open te houden.

Maar nu daalt de avondschemering en geeft de jonge geneesheer haar een teeken het raam te sluiten. Behoedzaam voldoet zij aan het verzoek, doch haar bevende vingers hebben den knop te sterk omvat. Het knerst heel even, en nu klinkt een haar welbekende en toch veranderde stem haar tegen: „Kindje!"

In een oogenblik is zij bij hem en knielt zij naast zijn bed neder, zich op de lippen bijtend om niet te weenen. Want nu is het daar, het uur van handelen.

Doch alvorens zij iets spreken kan, komt de geneesheer om den graaf de voorgeschreven medicijn te geven, en nu vraagt zij hem, of haar vader in staat is haar te begrijpen.

Hij aarzelt, doch om haar zekerheid te verschaffen, doet hij een onverschillige vraag.

De zieke ziet hem aan met een blik, vreemd en als verwilderd, wil iets antwoorden, doch vermag het niet.

De dokter zegt: „Later!"

Bij dezen aanblik krimpt zij ineen. Zij heeft niet vermoed, dat het zoo vreeselijk zou zijn! Maar terwijl zij zich over hem buigt, bemerkt zij, dat hy weder is ingesluimerd.

Dan verlaat zij de kamer, om zich eenige uren slaap te gunnen, en zegt, dat men haar moet roepen bij de geringste verandering van den toestand. —

Sluiten