Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lofte - zij dreigt in tranen uit te barsten, omdat het geven van haar geheele toekomst zefs dit niet eens vermag.

Maar weder waagt zij een poging, om met haar gedachten in de zijnen door te dringen:

„Is het goed zóo, vadertje, geeft dit u rust?"

„Het is goed - het moet zoo zijn", spreekt hij mat.

Dan verlevendigt zich zijn gelaat en zegt hij gejaagd:

„Wadiem moet komen."

En op haar antwoord, dat men reeds op weg is hem te halen, treft haar een blik vol dankbaarheid.

„Blijf nog wat bij mij", smeekt zij - „laat mij niet zoo alleen, vadertje, al bent u ziek, ik zal u helpen en steunen, maar wij zijn dan toch samen!"

Zijn blik vestigt zich met weemoedige teederheid op zijn kind:

„Lieveling, zonnetje!"

De oude geneesheer is aangekomen, en verzoekt den Pope te ontbieden.

Nu weet zij, dat Wadiem te laat zal komen, dat zijn snelste dravers den Dood niet vermogen in te halen.

Wadiem Alexandrowitsj is ingesluimerd, doch bij zijn ontwaken herhaalt hij dezelfde vraag.

Zij stelt hem gerust, - zegt dat hij spoedig zal komen, en dwingt haar stem dit kalm uit te spreken, want zij weet, dat hij te laat zal zijn!

Nu treedt het stadium in der verstikkende benauwdheden. De zieke hijgt naar adem, en de geneesheeren geven hem middelen tot leniging van zijn lijden. Zij hoort hem kreunen:

„Kwel mij niet! Rust!"

En zij, die kort te voren het Leven wilde afsmeeken aan den Dood, vraagt hun thans, waarom zij haar vader noodeloos martelen, terwijl zij weten dat hij sterven moet, en het Einde nu nabij is.

Zij hoort hen spreken als in een droom, van hun plicht, die dwingt, alle levenssprankjes aan te wakkeren, al zullen de vonkjes nog maar even glimmen.

Want het Leven vordert Leven, — en daarom wordt de mensch gemarteld, tot in den dood, als voortzetting van zijn bestaan op

Sluiten