Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Nu hoort zij het gedruisch van paardengetrappel en wielen, die nader komen in snelle vaart, en beneden worden deuren ontsloten.

Zij hoort een zacht geschuifel van haastige voetstappen, daarna, in de aangrenzende kamer, een mannenstem.

In de laatste oogenblikken heeft zij, als om antwoord vragende, geknield gelegen bij den afgestorvene, en ook nu verroert zij zich niet.

Achter haar treedt behoedzaam binnen een jonge man, dienederknielt tegenover haar, en het gelaat met de handen bedekkend, prevelt een gebed.

Dan ziet zij een slanke, fijngevormde hand, die de hare zoekt, en meewarig, streelend zegt een stem: „Arme, kleine Olga!"

Een ernstigen, vorschenden blik werpt zij op den jongen man.

„Wadiem ?"

„Te laat!" klinkt droef zijn antwoord.

Zoo zagen zij elkander voor de eerste maal in hun leven — bij het doode, dat moest vergaan — geknield tusschen bloemen.

Dan drukken zij elkaar nog een maal de hand, over den Dood, over de bloemen henen!...

Sluiten