Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK XXXIX.

Dikwijls straften de goden het hardst terwijl zij unze wenschen vervullen.

FELIX D.UIN.

Vroegochtend in het begin der lente. De nog traag opgaande zon boort reeds haar stralen door het woud en groeft er smeltend putjes, kartelranden in de sneeuwvlakken op de paden en het mos.

Over een open plek, beklemd tusschen de donkere dennen, stappen twee aanzienlijke heeren, gedoken in hun pelzen, langzaam op en neder.

Uit een nabijstaande leege hooischuur, verschijnt Wadiem Rostowzeff, met den ouden dokter, wien hij heeft getoond Sawadky's brief, in den nacht vóór het tweegevecht ontvangen. Het gelaat hoog ernstig, en met de handen op den rug, loopt hij nu werktuiglijk aan de zijde zijner vrienden meê, en blijft dan staan als in gedroom.

„O God, haar dat te moeten zeggen! Neen, liever dood!"

„Ben je ziek, mijn jongen?" vraagt Vorst Machlin, die een steunen heeft gehoord.

„Als ik u niet beter kende, zou ik gelooven, dat ge vuurvrees liadt , voegt baron Boralow, de andere getuige, eraan toe.

2U*

Sluiten