Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Met een toonlooze stem antwoordt Wadiem: „Neen, ziek ben ik niet, en bevreesd, voor den dood althans, evenmin."

Op een wenk van den dokter treden beide heeren met hem ter zijde. Alleen gelaten, overdenkt Wadiem hetgeen hy aan Olga schreef. Zij zal het nu gelezen hebben:

„Zelfs wanneer ik mocht blijven leven, Olgienka, bereid je voor op grooter smart, dan je vermoeden kunt. Na het duel vertrek ik terstond. Ik moet onverwijld mijn moeder spreken, en zal je zeggen, daarna, wat je behoort te weten. Vooral niets wenschen van de toekomst, niets hopen, niets verwachten."

Op gedempten toon heeft de geneesheer het woord gericht tot de twee getuigen. Als de jonge KostowzefT nadert, hoort hjj Vorst Machlin halfluid verklaren:

„Wij laten u geheel de vrije hand."

Michael Sawadsky, die zich, met zijn secondanten, op de plek vertoont, gaan nu de heeren tegemoet.

Nadat eenige plichtplegingen wederzijds vervuld zijn, en terwijl de afstand der strijders met passen uitgemeten wordt, vraagt de dokter aan beide partijen toestemming voor een onderzoek.

Een van Michaèls getuigen, ietwat geraakt:

„Hoe bedoelt u dit? — Vreest u verborgen wapenen, of eenig ander valsch opzet soms ?"

„Daaraan heb ik niet gedacht", luidt kalm hel antwoord. „Ik bedoel een geneeskundig onderzoek. Mogelijk toch, dat een der strijders aan een hartkwaal lijdt, en onnoodig zou het de verantwoordelijkheid der getuigen bij dit duel verzwaren, wanneer zij hiervan niet waren onderricht. De ervaring is het, die mij doet spreken; met aandrang herhaal ik dus mijn vraag."

Wijl Vorst Machlin bij Sawadsky's partners een neiging tot verzet bespeurt, wil hij invloed oefenen op hun besluit, en zegt:

„Wel ik moet erkennen, van een voorzorg als onze dokter wenscht, nog nooit gehoord te hebben; echter kan ik den maatregel, in ons aller belang gemeend, slechts goedkeuren, en ongetwijfeld is baron Boralow, mijn medegetuige, liet met mij eens."

Noode stemmen nu ook de anderen toe. Daarop wordt het verlangen kenbaar gemaakt aan Wadiem, die, ofschoon den toeleg niet

Sluiten