Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Weten moet ge, moeder! Naast uw beeltenis verrijst die eener andere vrouw, een arm eenzaam kind met een hartje rijk aan liefde, dat zij aan mij wilde geven, omdat ook ik niet zonder haalkan leven. Wat nu voor haar?"

„Beschuldig mij, mijn zoon, ik zal alles aanhooren, je woorden zijn niet wreed genoeg voor mij. Ik schreef je, niet te lang op ,Nicolskoé' te blijven, zonder je de ware oorzaak hiervan te melden. Ook hierin, zooals in byna alles, heb ik verkeerd gedaan, en nu straft God mij door het lijden van mijn kind."

Wadiem buigt zich tot haar neder, en drukt een kus van teeder begrijpen op haar voorhoofd. „Arm moedertje" zegt hij bewogen en streelt haar koude, sidderende handen.

De kleine lamp is aangestoken en spreidt haar schijnsel over den zoon, die geheel zyn leven, zijn strijd, het vallen en opstaan in korte woorden biecht, en ook zijn moeder doet hem een blik werpen in de tijden, die voorbij gingen, met het heden tusschen hen beiden ....

En als de deur zich eindelijk sluit, daar Wadiem de verre reis naar ,Nicolskoé' moet ondernemen, waar het jonge meisje wacht, opdat hij haar den genadeslag toebrenge, begeleidt hem op zijn weg een troostende stem, die hem zegt, zijne moeder te hebben gevonden.

De eenzame vrouw, in het klooster achtergebleven, knielt neder voor haar Schepper, dankend, met gebroken hart dat Hij den zoon haar schonk....

xroD

Sluiten