Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

alsof Gods koesterende adem over haar henenglijdt. Zy slaat de oogen neder, bevende van bewonderende ontroering voor dien mensch.

„Hoe kon ik zoo slecht, zoo erbarmelijk slecht en zelfzuchtig zyn!" steunt zij.

Maar hij grijpt haar hand en streelt ze, lang en innig, zonder passie-liefde. „Niet slecht," spreekt hij bewogen, „maarongelukkig!"

„Geloof je," vraagt zij angstig, gelyk haar vader het haar eens, lang geleden, deed, „dat God my de woorden van zooeven zal vergeven?"

„Ja."

„Geloof je, dat Hij mijn hand zal vatten en mij zal leiden?"

„Indien je bidt met geheel je ziel, met geheel je verstand, dan ja!"

„Geloof je, dat Hij mij de kracht zal schenken, om niet meer te wankelen ?"

„Zoo je het leed uit Zijne hand aanvaardt, en je Hem in Zyn werken ziet, dan nogmaals ja!"

En, naar den hemel wyzend, toont hij haar een kleine ster, die helderder dan de haar omringende planeten schijnt te tintelen. „Het lichtje in je ziel, onze ster!" zegt hij eenvoudig.

Zij zijn het huis genaderd, en hunne wegen moeten zich hier scheiden. In langen tijd zullen zy elkander niet wederzien, en dit besef van komende eenzaamheid kwelt haar als een foltering.

Stilzwijgend vat hij hare hand, en laat die tusschen zijn vingeren rusten, en lang ziet hij haar aan, als wilde hij nog éénmaal geheel haar beeld omvatten met zijn blik. „Denk om je levensdoel!" fluistert hij met schorre stem.

Nu ziet zij zijn hooge gestalte in de richting der stallen verdwijnen.

Bij elke schrede die hij noode schijnt te doen, ontvalt haar een deel der nieuw herwonnen kracht, want zij is zoo zwak alleen, en is zoo sterk bij hem!

Nog staat zij bij de groote trap, waarover het blanke maanlicht beeft. „Ik kan niet, mijn God, ik kan niet. — Wadiem!" roept zij radeloos.

Doch ofschoon het geluid hem bereikte en hij heeft verstaan, gaat hy voort.

Dan roept zij „Broeder!"

Sluiten