Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Onze Barisjna in gevaar!" klinken de stemmen van anderen, en deze gaan naar het huis, hulp en steun verwachtend daar. Doch geen hunner denkt aan blusschen.

Als een opgejaagde in het nauw gedreven kudde schreeuwen zij door elkander met woeste gebaren, de bevelen afwachtend van hunne jonge meesteres. Met éen oogopslag heeft zij den toestand overzien, en weet, dat het vuur uit de vier windstreken is losgebroken, en de vuurtongen kruipend en opwentelend naderen .... Terwijl Vasili de koetsier de brandspuiten naar de plaats des onheils brengt, dringt zij zich zelf tusschen de onrustig geworden, snuivende paarden, ontdoet hen van de kettingen, die hen ;ian den wand vastklinken, en geeft hen, slechts van halsters voorzien, aan den stalknecht over. En zij herinnert zich, dat het grootste gedeelte van den veestapel in de weide is, doch dat er zich in de stallen nog moeders en kalveren ophouden. Ook voor dezen ontsluit zij eigenhandig de deuren, daar de haar omringende mannen en vrouwen slechts jammerklachten uitstooten, en niet tot helpen in staat zijn. Wel ziet zij de verschrikte dieren grootendeels in de richting van het vuur verdwijnen, doch hierin is op dit oogenblik geen verandering te brengen.

Mademoiselle en Boris beginnen het leddingswerk in huis, en pakken het zilver en de kostbaarheden in kisten en koffers, waar een en ander zich in bonte mengeling opeen stapelt. Een prikkelende geur van verbrand naaldhout verspreidt zich alom, de hemel ziet rood en de rook dreigt hun weldra den adem te benemen, doch Olga Wadima denkt voor allen, en zij is overal! Op haar bevel worden diepe greppels gegraven tusschen de bosschen en veldranden, om het vuur te stuiten in zijn vaart; doch aan de zijde van het kerkhof woedt de brand het felst, en zij kon er niet toe besluiten om met spade en houweelen te doen omwoelen den grond, waarin de dooden rusten. . . . Nu begint het dak van den grooten veestal reeds te branden, want ofschoon de spuiten den brand aan de drie andere hoeken meester zullen worden, schijnt het hier eene onmogelijkheid, en weldra slaan de vlammen uit schuren en andere gebouwen. Zij bevindt zich in een toestand van zich over niets meer te kunnen verwonderen, zelfs al zou de aarde zich voor haar voeten geopend hebben, dan nog zou zij in staat geweest zijn, koelbloedig handelend

Sluiten