Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Hoe het komt?" sprak zij droevig. „Omdat ik niet kan slapen, ik wil, doch ik kan niet! Ik heb een gevoel alsof ik krankzinnig moet worden, soms zelfs wensch ik het, om aan dezen ondragelijken toestand een einde te maken. Dag aan dag een ijzeren druk op het achterhoofd, een hamerend bonzen van hart en slapen, uiterlijk schijnbaar kalm, omdat ik m\j voortsleepen moet, van binnen geen rust, niets dan een koortsige gejaagdheid. En ik ben zoo moe, zoo vreeselijk moe! Ik zou willen sterven! dan was alles uit, waarvoor ook zou ik nog leven ?"

„Olga , zeide hij zacht en streelde het arme hoofdje, dat zoo'n pijn deed, en maar niet tot rust kon komen, „ieder mensch is zoo lang noodig op aarde, totdat God hem roept!"

„God?" vroeg zij, en zag hem aan met vreemdsoortig geflikker in haar oogen. „Ik heb gebeden, om rust. Veel, niet waar? Een weinigje slaap ! Heeft het mij gebaat ? Heb ook ik geen recht op iets, dat naar geluk zweemt, al was het slechts een levensdoel te mogen behouden, waardoor men kracht vind voorttegaan, in weerwil van een eeuwig durend knagend leed van binnen? Een werken voor anderen aan wien je geeft wat je onbewust bewaarde voor een enkel wezen, toen je het leven begon, bewust, van het uur af, dat je leerde wat gevoelen is ?"

„Je moet rust nemen, dagen achtereen, dan zal van lieverlede al het oude in je ontwaken, dat zoo mooi, zoo vreedzaam rustig was, Olga. Beloof mij, dat je het zult doen. Mademoiselle moet je iederen avond een van de poeders geven, die ik je zal voorschrijven."

„Ik kan niet, nu nog niet! Er is hier nog zoo veel te doen, ook Kathienka kan mij iederen dag noodig hebben. Trouwens poeders helpen mij niets meer, ik heb slaapmiddelen al genomen, maar rusten kan ik niet!"

Er kwam, niettegestaande deze woorden van moedeloosheid, een dankbare glimlach op het gelaat van den dokter: Zij dacht nog aan anderen om hulp te verleenen: zoolang zij dit besef in zich voelde, scheen hem nog niet alles verloren. Doch toen hij de deur achter zich sloot, mompelde hij toch onwillekeurig: „Arm kind, arm verlaten, eenzaam kind!..."

Sluiten