Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

deze moesten aaneen geklonken, of verbroken worden door het noodlot zelf.

Geen mensch, geen God vermocht hierin verandering te brengen.

„Doch de man, die mij van een God van Liefde gesproken had, toonde my, dat de keten van het Noodlot valsch en broos was, slechts hier boven was kracht en steun. En hij zeide mij, dat ik niet moest klagen, omdat mij veel nog overbleef. Want ik had nog een levensdoel: mij te mogen geven aan anderen.

„En omdat ik voelde dat hij gelijk had, en de wil tot het volbrengen van mijn taak mij steun schonk op mijn weg, zag ik in, verkeerd te hebben gehandeld, en ik herkreeg, met grooter kracht, het vertrouwen. Recht aan, zonder omzien, stuurde ik op mijn levensdoel, te werken voor anderen, en rust daalde weder in myn ziel.

„Toen nam ook Hy, dien ik meende te hebben teruggevonden als een God van Liefde, ook dit van mij weg, den eenigen steun, die mij nog restte ...

„Nochtans heb ik getracht, waarachtig gestreefd, niet te wankelen, maar in het herkregen vertrouwen te volharden. Ik werkte als vroeger, doch mijn tred werd zwaar.

„Omdat ik bijkans niets had overgehouden, waren mijn handen niet by machte te geven, daar, waar ik schenken wilde.

..En mijn stem, die de ongelukkigen opbeurde, klonk mij zelve vreemd in de ooren! Nü eerst kwam ik tot het bewustzijn, dat alles in mij veranderd was, en ik niet meer kon worden, gelijk voorheen.

„Ik tastte nog met bevende vingeren naar een God, doch wist niet meer naar welken.

„Misschien had ik nog te veel gevraagd, en was ik een zoo goed levensdoel onwaard. — En ik bad om rust. Ik hunkerde naar de geheele overgave van het moede lichaam aan den slaap.

„Ook deze werd my ontzegd. — Afgetobt naar geest en ziel, moede en mat, smeekte ik te mogen sterven, om dan eindelijk rust te erlangen.

„Doch ik leef!

„Eri omdat ik leef, handel ik. — Ik ben niet meer een gedwee kind, dat met zich handelen laat, neen — mijn leven vorm en hervorm ik naar mijn wil.

Sluiten