Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kwam een uur, waarop een andere stem het wekte uit zijn sluimering en zy' zong een ander lied.

„Dat was mijn stem!

„Ik wist, dat ik het kindje zeer ging doen, en het, door gebrek aan rust, zou verzwakken. Maar ik had het recht, dit te doen. Was het niet mijn eigen kind dat daar sliep? Ik zong, en het vermoedde niet wat ging gebeuren. Toen maakte mijne hand het wakker, omdat zij geleid scheen, door een macht, sterker dan den myne. Het Noodlot stond achter mij. Daarmede, het weten. En ik zeide tot mijn kindje: Nu weet je alles, en je voelt pijn niet waar? Jong moedertje is moe. Kun je nu toch nog slapen, dan rust. En ik verheugde mij, toen het wederom begon in te sluimeren... Doch ik moest alweder de rust verstoren van dat arme, domme kind. Nu zong mijn stem luider, zy klonk schril, - zij zette zich uit, bevreesd als ik was in de mij omringende duisternis.

„Toen ontwaakte myn kindje, om niet meer in te slapen .... „Heel even begon het zich te verweren, onbewust, maar niet tegen mij, de moeder, doch tegen de gestalte achter mij - het Noodlot. Het was sterk, wij beiden waren zwak, de strijd was eerlijk, tezamen stonden wij er tegenover. Toen is mijn kindje gestorven ....

„Het was mijn geweten, Wadiem, het is dood! . . .

„En God? vroeg hy, en staarde haar aan, als in vertwijfeling over die vreemde woorden.

„Ik heb geen God meer, nu ik geen geweten meer bezit. God was mijn geweten. Het is niet meer."

Zijn verstand arbeidde. Hoe zou hy er haar toe brengen, hem te spreken van de wijze, waarop . . . .? Een koude rilling gleed over hem, bij de gedachte aan dit laatste. Hoe zou hij kunnen waken ?

„Je hebt hier geen enkel wapen", sprak hij en zag haar bij deze woorden recht in het gelaat.

„Neen, ik heb het ook niet noodig."

Hij haalde verruimd adem, en kracht puttend uit hare zwakte, van zich te zullen verraden, vervolgde hy :

„In dit jaargetyde staat de rivier zeer laag . . . ."

Sluiten