Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De artt. 26 en 35—42 gelden niet voor de onderwijzers aan openbare scholen die uitsluitend in een der vakken of in beide vakken vermeld in art. 2 onder j en s onderwijs geven; dan wel daarnevens mede onderwijs geven in een of meer der vakken, vermeld in art. 2 onder h, i, k, q, r, r, bis en t.

§ 3. Van de kosten van het onderwijs.

Art. 43. Elke gemeente voorziet in de kosten van haar lager onderwijs, voor zoover die niet ten laste van anderen zijn of op andere wijze worden gevonden.

Art. 44. Die kosten zijn:

a. de jaarwedden der onderwijzers ;

b. de vergoeding aan onderwijzers, aan het hoofd van scholen staande, wegens gemis van vrije woning;

c. de toelagen en bijdragen tot opleiding van onderwijzers;

d. de uitgaven ten behoeve van het herhalings-onderwijs;

e. die voor het stichten en in stand houden of voor het huren der schoollokalen en onderwijzerswoningen ;

ƒ. die voor het aanschaffen en onderhouden der schoolmeubelen en der schoolboeken, leermiddelen en schoolbehoeften;

g. die voor verlichting en verwarming en het schoonhouden der schoollokalen;

h. die van het plaatselijk schooltoezicht , daaronder begrepen de com-

De art. 26, 35 en 36 gelden niet voor de onderwijzers aan openbare scholen die uitsluitend in een der vakken of in beide vakken vermeld in art. 2 onder j en s onderwijs geven; dan wel daarnevens mede onderwijs geven in een of meer der vakken, vermeld in art. 2 onder h, i, k, q, r, r, bis en t.

Voor de bepalingen bedoeld in dit artikel, lid 1 en 2 zijn de bepalingen van art. 37—42 van toepassing.

§ 3. Van de kosten van het onderwijs.

Art. 43. De districtsonderwijsraad maakt de begrooting van de kosten op van elke Rijksschool in zijn ressort, den schoolopziener en de centrale schoolcommissie en de schoolcommissie gehoord en legt die over aan de Regeering.

Art. 44 vervalt.

Sluiten