Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 60. Het examen omvat: goed lezen en schrijven;

de kennis der zinsontleding, der spelregels en der eerste gronden der Nederlandsche taal;

vaardigheid om zich, zoowel mondeling als schriftelijk, juist en gemakkelijk uit te drukken;

de eerste oefeningen van het handteekenen ;

het rekenen, zoowel met geheele getallen als met gewone en tiendeelige breuken en kennis van de leer der evenredigheden en van het Nederlandsch stelsel van maten en gewichten;

de beginselen der aardrijkskunde, inzonderheid van Nederland en zijne overzeesche bezittingen;

de grondtrekken der vaderlandsche geschiedenis;

de beginselen van de kennis der natuur;

de theorie van het zingen; de beginselen van onderwijs en opvoeding.

Aan allen, die hiertoe bij hunne aangifte het verlangen hebben kenbaar gemaakt, wordt, nadat tot hunne toelating is besloten, de gelegenheid gegeven, bewijzen van bekwaamheid

wijsraad kan daarbij rekening houden met de wenschen der candidatcn omtrent de plaats van hun examen.

Art. 60 onveranderd.

Toevoeging:

de eerste beginselen van de geschiedenis der Nederlandsche letterkunde;

het lezen en vertalen van niet te moeilijk proza in de Fransche, Hoogduitsche en Engelsche taal.

eenige kennis der spraakkunstige regels en hunner toepassing in twee dier talen.

practische vaardigheid in het werken in de klassen van het eerste tot en met het vierde leerjaar.

Lid 2 en 3 onveranderd. Alleen vervalt de aanteekening voor vrije en orde-oefeningen der gymnastiek.

Sluiten