Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bijlage II.

TOELICHTING BIJ DE ARTIKELEN 21 en 23.

Van een deel der Commissie.

Behoort aan den eenen kant elk onderwijzer die mate van zelfstandigheid te bezitten, waardoor hij in staat is zijn individualiteit tot haar recht te laten komen, onmisbaar voor vruchtdragend, bezielend onderwijs, aan den anderen kant heeft hij, als ieder ander mensch den prikkel noodig, die gelegen is in nauwgezette beoordeeling van zijn werk, zijn ijver en zijn plichtsbetrachting.

Maar bovenal is noodig, dat bij het oneindig verschil in zienswijze en gevoelens, de zoo hoog noodige eenheid in het onderwijs niet te loor ga en daarom kan niet aan ieder onderwijzer persoonlijk of zelfs aan een groep onderwijzers gezamenlijk overgelaten worden de vaststelling van het doel van het onderwijs, noch de aanwijzing van de middelen, om tot dat doel te geraken.

Dat doel en die middelen dienen, zij het niet in bijzonderheden, toch in duidelijke lijnen voor ons geheele lager onderwijs aangegeven te worden door een hooger bevoegd gezag onttrokken aan den directen invloed van veelvuldig wisselende persoonlijke gevoelens. Met des te meer gerustheid kan dan de regeling van bijzonderheden aan individueele opvatting overgelaten worden.

Derhalve is noodig:

a. een regeling, die meer gelijkheid schept en betere waarborgen biedt dan een regeling door ieder afzonderlijk of door een groep van onderwijzers.

b. Uitvoering verder van de hem opgelegde, nauwkeurig omschreven taak, door den onderwijzer naar zijn persoonlijk inzicht.

c. Geregeld en nauwlettend deskundig toezicht op de uitvoering, als waarborg voor de correctheid ervan.

a. Ter verkrijging van een deugdelijke regeling en van die meerdere uniformiteit, worde voor scholen, die in aard en omvang met elkaar overeenkomen, eenzelfde leerplan gevolgd. Uit de zinsnede in art. 21 der thans geldende wet: „zoo de regeling voor meerdere scholen gelijkelijk werkt, door de hoofden dier scholen gezamenlijk," blijkt, dat een uniforme regeling, waar het mogelijk was, reeds in de bedoeling gelegen heeft. In de praktijk is daarvan echter weinig terecht gekomen; veelal bepaalde die gelijkheid zich tot de uitwendige zaken: schooltijden, vacanties, klasse-indeeling, een gemeenschappelijke boekenlijst, waar ieder hoofd uit koos enz., terwijl de hoofdzaken: leerstof, indeeling ervan, methode, volgens ieders eigen opvatting bepaald werden. In nog sterkere mate dan thans reeds dat euvel: — onder geheel gelijke omstandigheden zeer verschillende leerplannen, al naar de persoonlijke opvatting van het hoofd der school, — zich doet gevoelen, zou dit het geval zijn, indien de schoolvergaderingen belast werden met de regeling der zaken, in art. 21 genoemd.

Sluiten