Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bijlage III.

Aanteekening bij artikel 16.

Een der ieden stond er op, dat het volgende nog werd opgenomen.

Hij had bezwaar tegen de toevoeging bij art. 16. Hij acht de toevoeging onschadelijk, zoolang overal de openbare scholen in genoegzaam aantal aanwezig zijn. Maar de bepaling zou z. i. hoogst bedenkelijk kunnen worden voor streken, waar het bijzonder onderwijs zich sterk mocht uitbreiden.

Hij vreest, dat door die toevoeging het denkbeeld voedsel zal vinden, at met de oprichting van rijksscholen gewacht zou kunnen worden, totdat belanghebbenden, ten getale als de toevoeging noodig maakt, die oprichting als een wettelijk recht mochten komen vragen. Gehandhaafd moet z. i. blijven de nunisterieele verklaring omtrent de uitdrukking genoegzaam aantal scholen". Daarmee toch wordt bedoeld „dat zekerheid gegeven worde, dat geen kind, dat de openbare school wil bezoeken, van de gelegenheid daartoe verstoken zij, zoodat men niet het oprichten van openbare scholen mag nalaten, omdat men berekent dat het bijzonder onderwijs in de behoeften zal voorzien'") Hij meent, dat het in strijd zou zijn met het grondwettig voorschrift, dat „Het openbaar onderwijs is een voorwerp van de aanhoudende zorg der Regeering" en de daaraan toegevoegde bepaling: „Er wordt overal in het Rijk van overheidswege voldoend openbaar lager onderwijs gegeven, — indien de mogelijkheid opengesteld werd, dat ergens het getal kinderen, voor wie binnen een behoorlijken afstand geen openbaar lager onderwijs zou zijn te verkrijgen , tot 24 kon stijgen.

De commissie deelt die vrees niet.

In de handen van den Minister en de districtsonderwijsraden acht zij de belangen ook van kleinere minderheden volkomen veilig. Met de toevoeging wil de commissie niet uitdrukken, dat niet voor kleinere getallen van kinderen een school kan of mag worden opgericht, maar dat 24 het maximum is, tot waarop het Riik de oprichting eener school kan uitstellen; bij een grooter getal hebben

derden het recht van eischen.

De commissie kan zich in dezen wel vereenigen met de tegenwoordige uitvoering. Kleine getallen van kinderen, die wat afgezonderd wonen, zullen zich steeds eenige meerdere opofferingen moeten getroosten, door bijv. een school te bezoeken, die een uur, zelfs verder, verwijderd is of zich eenigszins behelpen b.v. door huisonderwijs. Maar het oprichten van een volledige school voor 2 of 3 kinderen geschie t nergens en zal, onder welke regeling ook, wel nooit geschieden.

') Zie Hand. der St. Gen. 1877—78, II, blz. 1172.

Sluiten