Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

B. Inkomsten.

Schoolgelden.

Thans bijna / 2.000.000. Door de schoolgelden van het bijzonder onderwijs wordt deze som vermeerderd met ongeveer f1.000.000. Totaalsom dus / 3.000 000.

Pensioen-bijdragen der onderwijzers.

Thans / 240 000. Door opname der bijzondere onderwijzers en de stijging van jaarwedden wordt dit ongeveer f 400.000.

RECAPITULATIE.

Uitgaven. Inkomsten.

I. Onderwijzend personeel f 20.000.000 I. Schoolgelden . . f 3 000.000

II. Schoolgebouwen en onder- II. Pensioen bijdrag. - 400.000

wijzers-woningen ... - 710.000

III. Nieuwe schoollocalen en onderhoud van schoollocalen - 2.880.000

IV. Schoolmeubelen, schoolbehoeften; vuur en licht - 2.850.000

V. Schooltoezicht .... - 956.000

VI. Opleiding - 1.600.000

VII. Pensioenen - 750.000

VIII. Diverse uitgaven (wachtgelden, arrondissementsbibliotheken) .... - 24.000

Totaal bedrag der uitgaven .ƒ29.770.000 Totaal bedr. der ink. ƒ 3.400.000

Zuiver bedrag der uitgaven /26.370.000

In 1901 bedroeg het zuiver bedrag der uitgaven van rijk en

gemeenten samen / 18.670.000

De vermeerdering van het zuiver bedrag der uitgaven (behalve

het genoemde onder A I alinea 4) wordt dus geraamd op . ƒ 7.700 000

Opm. We vestigen er nog de aandacht op, dat de uitgaven ook thans reeds belangrijk meer dan ƒ 18.670.000 zullen bedragen, ingevolge de wet van 24 Juni 1901. Daar het „Verslag" over 1902 echter eerst in den loop van 1904 verschijnt, is het nu niet mogelijk, het vermeerderde bedrag aan salarissen vast te stellen.

In elk geval zal hierdoor het cijfer 7.700.000 (zie boven) nog belangrijk dalen.

Sluiten