Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De onderwijzers der le en 2de klasse genieten zes en die der 3de klasse vier traktementsverhoogingen, ieder ten bedrage van ƒ 80 's maands. D.e verhoogingen worden tr>e<rekend telkens na ommekomst van drie volle dienstjaren. .... „ j„„

Een onderwijzer, tot eene hoogere klasse bevorderd wordende, blijft in het genot d reeds verkregen traktementsverhoogingen en de tijd verslreken na de laatst verhooging komt in rekening bij de toekenning der eerste verhooging w de hooj^re klasse echter met dien verstande, dat nimmer meer dan zes verhoogingen worden genoten, zullende naarmate in de hoogere k.assen aanspraak op eene voor d,e kla se vastgestelde verhooging wordt verkregen, zoodra deze meer dan de zesde zoude zijn, eene vroeger in de lagere klasse verkregen verhooging vervallen.

Deze bepalingen zijn in 1902 in dezen vorm ontworpen en in 1903 in werking getreden. ?ot dusver begon een onderwijzer van de derde klasse met/125 's maands en waren ook de periodieke verhoogingen minder gunstig geregeld. Gebrek aan sollicitanten

geB^d de' berekening der dienstjaren, voor de erlanging van traktemensverhoogingen

gevorderd, komen niet in aanmerking:

a de tiid met verlof buiten Nederlandsch-Indië doorgebiacht;

b de tijd op wachtgeld, noivactiviteit of anderszins buiten betrekking uoorgebrac , c de tiid uit hoofde van berispelijk gedrag onder suspensie doorgebracht. De onderwijzers, die aan het hoofd van eene school staan, genieten een tiende aandee

De onderwijzer^van de derde klasse worden benoemd door den Directeur van Onderwijs Eeredienst en Nijverheid, die van de tweede klasse door den Gouverneur Gene . Geplaatst worden alle door den Directeur van Onderwijs, Eeredienst en N>jverhe.d^ Ieder onderwijzer, met of zonder hoofdakte, vangt zijn loopbaan bij het openbaar

onderwijs aan als onderwijzer van de derde klasse.

Om tot onderwijzer van de tweede klasse bevorderd te worden moet men de akte als hoofdonderwijzer bezitten. Verder geschiedt die bcvordenng volgens ee^

Toezicht, „(i) Het toezicht op het lager onderwijs is opgedragen aan den Directeur

van Onderwijs, Eeredienst en Nijverheid".

(2.) Dat toezicht wordt onder zijne bevelen uitgeoefend.

4. in het algemeen door inspecteurs, wier ambtsgebied door den Gouverneur-Generaal 2^ plaatselijk door schoolcommissien, behoudens het bepaalde bij alinea 2 van het

volgende^artikel ^ Gewestelijke Besturen blijven voorbehouden de voorzie¬

ningen , bedoeld in art. 36 hunner instructie (Staatsbladen 1861 No. 44 en 1807 No. 114), met dien verstande dat zij, waar telegraphische gemeenschap met Batavia bestaat, gee onderwijzers buiten hunne standplaatsen detacheeren dan na overleg met den Directeur

van Onderwijs, Eeredienst en Nijverheid". (Art. 41.) , u ,.

(i) De commissién worden genoemd Europeesche Schoolcommissien en door de Hoofden van Gewestelijk Bestuur ingesteld op alle plaatsen, waar één of meer scholen hetzij openbare of particuliere, aanwezig zijn, en waar gelegenheid tot het samenstellen va

dergelijke commissién wordt aangetroffen. p. f

(2) Zoo geene schoolcommissien kunnen ingesteld worden, zijn de Hoofden van Plaatselijk Bestuur met de haar opgedragen werkzaamheid belast". (Art. 42.)

(1) De schoolcommissien bestaan met inbegrip van den voorzitter uit drie, vijt o

een grooter oneven aantal leden, naar gelang plaatselijke omstandigheden zulks gedoogen

of vorderen". . ,

„(2) De Hoofden van Gewestelijk Bestuur zijn voorzitter van alle in het gewest o

hun beheer gevestigde commissién".

„(3) In de afdeelingen der gewesten worden zij, bij verhindering om zeiven als zoodanig op te treden, vervangen door de Hoofden van Plaatselijk Bestuur. Enz. (Art.43).

Sluiten