Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Omtrent de inrichting der lokalen geeft de Regeering nauwkeurige voorschriften.

De Minister stelt ook een algemeen leerplan vast, waarin voor alle vakken, behalve het godsdienstonderwijs, nader de omvang der te behandelen leerstof wordt aangewezen.

Voor het godsdienstonderwijs worden die nadere aanwijzigingen gegeven door het betrokken kerkgenootschap.

De openbare scholen zijn toegankelijk voor alTe leerlingen en voor onderwijzers, die de vereischte akte van bekwaamheid bezitten, maar om aan het hoofd eener openbare school te staan, moet men de bevoegdheid bezitten, om onderwijs te fevtn in den godsdienst van de meerderheid der schoolgaande kinderen. — Dit is een der voornaamste wijzigingen, die in 1883 zijn aangebracht in de wet van 1869.

Het godsdiedstonderwijs wordt gewoonlijk gegeven door den geestelijke der plaats, maar kan met toestemming der kerkelijke overheid opgedragen worden aan een onderwijzer. Aan de burgerscholen moet zooveel mogelijk een afzonderlijk godsdienstonderwijzer aangesteld worden.

Het personeel eener gewone lagere school bestaat uit onderwijzers, hulponderwijzers en een hoofdonderwijzer. Het personeel eener burgerschool bestaat uit een directeur en onderwijzers.

Van 4 of 5 onderwijzers eener gewone lagere school kunnen 2 hulponderwijzers zijn, van een grooter getal een derde.

De jaarwedden worden periodiek verhoogd. Het minimum wordt voor elke streek om de tien jaren vastgesteld en wisselt af van 300 tot 900 florijnen bij de volksscholen en van 600 tot 1000 bij de burgerscholen.

Periodieke verhoogingen hebben gewoonlijk om de 5 jaar plaats, doch de jaarwedden stijgen na 30 dienstjaren niet meer. Hoofdonderwijzers hebben als zoodanig een toelage van 50—200 florijnen, directeuren van burgerscholen van 100—300 florijnen.

De hoofden van scholen hebben vrije woning of vergoeding van huishuur. In een deel van het land geldt hetzelfde voor alle „onderwijzers."

De jaarwedde der hulponderwijzers wordt in een vaste som, 200—600 florijnen, aangegeven of in percenten van wat een onderwijzer geniet. Onderwijzeressen krijgen 80 % van wat een onderwijzer ontvangt.

Het schooltoezicht kan een onderwijzer verplaatsen, als de dienst het wenschelijk maakt. Daarbij mag geen vermindering van jaarwedde plaats hebben.

Onderwijzers of onderwijzeressen, wier werk onvoldoende blijkt, kunnen door het Rijksschooltoezicht verplicht worden, het aktenexamen nog eens af te leggen. Is dit examen onvoldoende, dan wordt de vroeger uitgereikte akte ingetrokken.

Pensioen wordt feitelijk eerst na 10 dienstjaren verleend. Bij minder dan 10 dienstjaren wordt slechts een bedrag ineens uitgekeerd, dat meestal IJ maal de jaarwedde bedraagt. Bij langeren diensttijd wordt pensioen uitgekeerd, dat afhangt van den diensttijd en stijgt van } der jaarwedde tot de geheele jaarwedde bij 40-jarigen dienst.

Het pensioenfonds wordt vooreerst gevormd door storting van '/io der jaarwedde gedurende het eerste dienstjaar, Vio van a"e verhoogingen en een doorloopende storting van 2 % der jaarwedde; verder door boetes, schenkingen, niet uitgekeerde jaarwedden bij vacatures, enz.

De opleiding der onderwijzers geschiedt aan kweekscholen, waarvan het onderwijs aansluit bij dat der burgerscholen. Vreemde talen worden daar niet altijd onderwezen. De cursus duurt 4 jaar en het onderwijs is kosteloos.

Het einddiploma eener kweekschool geeft het recht, om als hulponderwijzer in de gewone volksschool op te treden. Na 2 jaar praktisch werkzaam geweest te zijn, kan de hulponderwijzer het examen als onderwijzer afleggen.

Om aan een burgerschool benoemd te kunnen worden, moet men 3 jaar aan een gewone lagere school werkzaam geweest zijn en een speciaal examen afleggen, waarvan echter dispensatie kan verleend worden.

Sluiten