Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bouwen, die reeds bestonden, toen de laatste bepaling in werking trad, wordt veel door de vingers gezien.

Ook bij de gemeentescholen en de Rijksscholen behoort „godsdienst en moraal" tot de leervakken.

De kosten van het lager onderwijs worden gedekt door. de inkomsten van bestaande fondsen en schenkingen, de schoolbelasting, schoolgelden, inschrijvingsgelden en staatssubsidie.

Aan schoolgeld wordt ongeveer 5 millioen Kronen per jaar opgebracht. Behoeftige leerlingen zijn vrijgesteld. Op de staatsscholen wordt het onderwijs langzamerhand kosteloos gemaakt. Dit is reeds geschied op ';3 dier scholen.

Van al de lagere scholen zijn 11 gemeentescholen, terwijl 3ö van alle onkosten van het lager onderwijs door de gemeenten verschaft worden. Uit een officieel verslag van 1900 moet men afleiden, dat ' die 3(5 o/0 gevonden worden uit de schoolbelasting alleen of tevens uit gemeentelijke fondsen. De gemeenten betalen dus op die wijze niet alleen hun eigen scholen voor een groot deel, maar ze voorzien ook voor een deel in het onderhoud der confessioneele scholen. Zoo betaalden de gemeenten volgens een verslag van 1900 niet minder dan 26,4 % der onkosten van de Roomsch-Katholieke scholen, 9,6 van die der Grieksche Katholieken, 15,8 van die der orthodoxe Grieken, 8,4 "/„ van die der Kalvinisten, 12,3 % ven die der Lutheranen, 7,1 % van die der Unitariërs en 8,3 u/0 van die der Israëlieten. Gemiddeld maakt dat 18 °0.

Deze bijdragen tot de confessioneele scholen leveren de gemeenten, zonder dat ze eenigen invloed hebben op de door hen gesubsidieerde scholen.

Door het Ministerie van Onderwijs is een vrij gedetailleerd leerplan vastgesteld, waaraan de staatsscholen, de gemeentescholen en de scholen van bijzondere personen gebonden zijn, terwijl de leerstof, die in dat programma wordt genoemd, als een minimum geldt voor de confessioneele scholen, die overigens volgens een eigen leerplan ingericht worden. De Israëlitische scholen zijn evenwel geheel gebonden aan het ofïficieele programma.

De Regeering maakt een lijst van geschikt geachte schoolboeken en leermiddelen op, en uit die lijst moet gekozen worden voor de staatsscholen, de gemeentescholen en de Israëlitische scholen. Voor de overige confessioneele scholen stellen de kerkelijke autoriteiten vast, welke schoolboeken en leermiddelen gebruikt zullen worden.

Tot kenschetsing van de Regeeringsbemoeiing kan dienen, dat de Regeering in 1873 een Schoolmuseum oprichtte en dat in 1897/8 van de leerplichtige kinderen 87,3 % inderdaad een school gedurende den vereischten tijd bezochten.

De onderwijzers aan de staats- en de gemeentescholen worden voor hun leven benoemd. De onderwijzers der kerkelijke scholen worden door kerkelijke autoriteiten benoemd; ofschoon dit niet voor het leven geschiedt, is er in de praktijk geen verschil met de benoemingen aan de staatsscholen en de gemeentescholen. Als er sprake is van ontslag van een onderwijzer aan een confessioneele school, wordt de beslissing bij de Roomsche en Grieksche katholieken genomen door eene commisie, bestaande uit geestelijken en leeken. Ontslag of definitieve schorsing behoeft de goedkeuring van den Minister van Onderwijs.

Ingeval de Staat de jaarwedde der onderwijzers aan confessioneele scholen met minstens 120 kronen aanvult tot het door de wet geëischte minimum, behoeft ook de benoeming van zulk een onderwijzer de goedkeuring van den Minister.

Dat minimum omvat een jaarwedde van 600 Kronen, een woning en een tuin. Na elke 5 jaren dienst wordt dat minimum verhoogd met 100 kronen.

De Duitsche Lutheranen maakten voor een deel geen gebruik van de aangeboden staatshulp, maar de overige kerkgenootschappen wel.

Sinds 1875 bestaat er een pensioenfonds voor onderwijzers. Daartoe draagt de Staat jaarlijks 300 000 kronen bij; 24 kronen per jaar moeten bijgedragen worden voor eiken onderwijzer door de overheid of de bijzondere personen, die de school onderhouden, en de onderwijzer draagt zelf 2 van zijn jaarwedde bij.

Sluiten