Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het Lager Onderwijs in Denemarken.

De Deensche volksschool werd door de wet van 1814 in 't leven geroepen. Deze wet bleef tot de invoering der nieuwe schoolwet van 1899 (1 Jan. 1901) de wettelijke basis voor de schoolregeling in Denemarken.

Door de wetten van 1855 en 1856 werd een vaste grondslag ter verzekering van het bijzonder onderwijs verkregen, tevens werden de salarissen der onderwijzers verhoogd en kregen de gemeenten het recht van aanstelling van onderwijzers.

De wet van 1899 kwam door samenwerking van alle politieke partijen tot stand, doch deze wet regelt slechts: de leerplicht, de omvang van het onderwijs, de benoeming, de salarissen en enkele andere bijzonderheden. Geheel en al ontbreken daarin: de vaststelling van de verhouding van de school tot den staat, tot de kerk en tot de gemeente, het bijzonder onderwijs, het schooltoezicht enz.

De wet stelt het Christelijk karakter der volksschool op den voorgrond, en komt de liberale partijen in Denemarken daardoor tegemoet, dat ze den ouders zekere rechten waarborgt wat betreft de keuze der school in zooverre, dat ze zich tegen gedwongen plaatsing hunner kinderen op een andere school [kunnen verzetten; ook is hun de vertegen woordiging in de schoolcommissie gewaarborgd.

Duur van den schooltijd: vanaf het 6'' tot het volbrachte 13' levensjaar.

Naast de gewone volksscholen bestaan er voorbereidings-, bij- en winterscholen. In zeer dun bevolkte streken (Jutland) wordt een wandelleeraar aangesteld, die afwisselend in 2 of 3 scholen onderwijs geeft, in ieder ongeveer 4 maanden. In de winterscho\en wordt 's winters in de nabijgelegen hulpschool onderwijs gegeven; 's zomers in de in het hoofddorp gelegen volksschool.

Het maximum getal leerlingen per klasse bedraagt 35 (wet van 1899). Bij overschrijding van dit getal, moet in de schoolruimte worden voorzien, zoo kan de openbare school een overeenkomst sluiten met de bijzondere school, dat deze een deel der kinderen opneemt. Van deze bijzondere school wordt verlangd , dat haar leerprogramma minstens met de openbare school overeenkomt. Het staat den ouders vrij hunne toestemming te geven of te weigeren.

De leermiddelen worden kosteloos door de gemeenten verstrekt.

Schooltoezicht. I. Schoolcommissie, 4 leden, waarvan minstens 2 vaders van kinderen die de openbare school bezoeken , gekozen door den kerkeraad.

II. Schooldirectie.

III. Ministerie voor kerk en school.

I. De schoolcommissie ontwerpt het concept a. School- en b. Leerplan.

a. Het schoolplan bepaalt: 1. het aantal scholen. 2. het aantal en de bezoldiging der onderwijzers.

b. Het leerplan geeft aan: de duur van het onderwijs in de verschillende klassen, de vacanties, de regeling van het schoolbezoek (voor zooverre de wet daartoe vrijheid laat) de vakken van onderwijs, het aantal uren voor ieder vak, het einddoel van het onderwijs voor elk vak in elke klasse, de eischen van overgang naar een hoogere klasse.

h

Sluiten