Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het volksonderwijs in Zweden.

Soort van Scholen.

Het lager onderwijs in Zweden is overeenkomstig een koninklijk besluit van 20 Januari •1882 geregeld.

Het omvat vijf verschillende soorten van scholen: a. klein-kinderscholen, b. kleinere volksscholen, c. volksscholen, d. scholen voor herhalings- en voortgezet onderwijs en e. hoogere volksscholen. De belangrijkste dezer inrichtingen van onderwijs zijn zonder twijfel de klein-kinderscholen en de volksscholen. Het leerplan der eerstgenoemde soort omvat twee jaarklassen, terwijl dat der volksscholen voor vier jaarklassen is ingericht.

De kleinkinderschool heeft tot doel de eerste, voorbereidende kennis aan te brengen en de elementaire ontwikkeling te verkrijgen, die voor de volksschool vereischt wordt.

In ieder kerspel vindt men minstens één volksschool met een bevoegden, voor zijn leven lang benoemden onderwijzer.

In streken met een weinig talrijke bevolking, waar bezwaarlijk eene volksschool in optima forma kan gesticht en onderhouden worden, vindt men kleinere volksscholen. Zij vereenigen in zich zoowel het karakter der klein-kinderschool als dat der volksschool.

Wat het doel der scholen voor uitgebreid en voortgezet onderwijs betreft, het bestaat hoofdzakelijk hierin, dat zij den leerlingen, die den cursus der volksschool doorloopen hebben, de gelegenheid aanbieden om de verworven kennis te behouden en te vermeerderen. De voortzettingsschool is dan niet zoozeer eene afzonderlijke inrichting van onderwijs, dan wel de hoogste (7e) klasse der volksschool.

De hoogere volksschool staat buiten den kring van het elementair volksonderwijs. Zij is opgericht met het doel om den kinderen der arbeidende klasse in de gelegenheid te stellen een uitgebreider kennis en eene grootere vaardigheid zich eigen te maken, dan de volksschool geven kan, zonder dat daarbij de leerlingen aan den levenskring, waarin zij verkeeren. behoeven onttrokken te worden.

De klein-kinderscholen en de volksscholen zijn deels vaste, deelsambulatorische inrichtingen van onderwijs. Het gebeurt namelijk, wegens de verspreide bevolking van Zweden, dat dezelfde onderwijzer twee- soms driemaal in een jaar naar een verschillend oord vertrekt om daar onderwijs te geven. Dat de leertijd van de kinderen, die van zulk een rondtrekkenden onderwijzer het onderricht ontvangen, aanmerkelijk korter is, dan die der leerlingen van de vaste scholen, springt in het oog. Opmerkelijk is het echter, dat in menig ambulatorische school de vorderingen der leerlingen volstrekt niet minder, soms zelfs beter zijn, dan die van de leerlingen der vaste school. Is dit misschien toe te schrijven aan het beperkt aantal leerlingen in de ambulatorische school of aan de meerdere gretigheid, waarmede het onderwijs van den rondtrekkenden onderwijzer wordt opgevangen, gedurende den korten tijd van zijn verblijf?

Om een overzicht te geven van het aantal der verschillende, door ons aangeduide scholen in Zweden, citeeren wij hier de volgende cijfers, ontleend aan een officieel verslag. In het jaar 1895 waren in de 2385 schooldistricten des rijks, behalve een ■13-tal hoogere volksscholen:

3999 vaste + 719 ambulatorische = 4718 volksscholen.

894 vaste + 572 ambulatorische = 1466 kleinere volksscholen.

3403 vaste -f- 1570 ambulatorische = 4973 klein-kinderscholen.

Totaal 8296 vaste + 2861 ambulatorische = 11156 scholen.

Sluiten