Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

6. Wij zouden daaruit kunnen leeren, dat de Volksbibliotheek, zooals wij deze nu reeds langer dan een eeuw kennen, haar bestaan dankt aan verschillend gemotiveerde bemoeiingen van verschillende groepen menschen, wier bedoelingen evenwel — behoudens enkele uitzonderingen — alle in één opzicht gelijk zijn : een leesgelegenheid te openen voor een anderen dan eigen kring. Het mag hier en daar, in de Amerikaansche school-district-libraries bijvoorbeeld, en ook ten onzent, soms in de bedoeling gelegen hebben, een leesgelegenheid voor ieder inwoner te scheppen, doch, en dit geldt vooral voor de beweging na de zestiger jaren, men kan verder met geruste zekerheid verklaren, dat er bij de oprichting van een «Volksbibliotheek», een «bibliothèque populaire» nimmer gedacht is, een instituut te scheppen ten dienste en ten gebruike óók van hen, die zich bij de oprichting beijverden met geld, werkkracht en sympathie te steunen. Nogmaals: het heeft doorloopend in de bedoeling, — in zeer vele gevallen in de respectabele bedoeling — gelegen, leesstof te brengen onder een anderen dan eigen kring; en met name in dien der onbemiddelden en onontwikkelden.

7. Daar wij dus kunnen zeggen, dat de instelling nimmer beschouwd is als een factor van eenige beteekenis voor het geestelijk leven der beter ontwikkelden en meerbemiddelden, kan het geen verwondering baren, dat er ook nimmer naar gestreefd is, de Volksbibliotheek bij de keuze der boeken als ook anderszins, maat te doen houden met de eischen van die ontwikkelden en bemiddelden. Integendeel kunnen wij zien, hoe steeds gelet wordt op het peil der eischen van ander slag menschen.

In het midden latend, of daarbij wel een goede peilschaal werd gebruikt, en of ieder daarbij wel competent was de schaal aftelezen, kunnen wij het volgende constateeren.

8. Vooreerst, dat een «Volksbibliotheek» een lezerscorps tot zich trekt, waaraan die elementen, niet alleen uit de bemiddelden, maar ook uit de onbemiddelden, vreemd zijn, welke op eenige ontwikkeling aanspraak maken. Niet alleen de meer-bemiddelde, maar ook de minder-bedeelde bleef weg, zoodra een zekere trap van ontwikkeling en beschaving bereikt was; een trap, die thans door het verbeterd en algemeener onderwijs eerder dan vóór een veertigtal jaren bereikt wordt. Dit feit is overal geconstateerd.

In de discussie bijvoorbeeld, die zich ontspon naar aanleiding van een lezing van George Ficot, in 1890 voor de Académie

Sluiten