Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2

59- Inleiding. Hebben wij in het voorgaande hoofdstuk de verhoudingen besproken tusschen het Openbaar Leesmuseum en de zustertypen van bibliotheken, en is daarbij vooral gewezen op de tegenstellingen en afwijkingen in beiderzijdsche programs, zoo valt hier vervolgens na te gaan, welke plaats het Openbaar Leesmuseum inneemt temidden van de instellingen, die direkt aandeel nemen aan het sociaal-paedagogisch werk: school, cursus, universiteitsuitbreiding en dergelijke.

Wat hier besproken zal worden, geldt vooral de samenwerking, de onderlinge aanvulling dier instellingen, en in hoofdzaak voor zoover deze samenwerking uitgaat van het Openbaar Leesmuseum als centraal punt.

Want, dat elk streven naar ontwikkeling, hoe ook geleid en hoe ook gezocht, tenslotte zich wenden moet naar een plaats, waar de hulpmiddelen voor zulk streven te vinden zijn, behoeft geen bijzondere uiteenzetting. Maar een geheel ander geval wordt het, wanneer van de Openbare Leesmusea de stuwkracht uitgaat; wanneer zij zich zelf tot dit centrale punt maken, vanwaar elk sociaal-paedagogisch werk zijn uitgang nemen wil.

Eerst wanneer het bibliotheekbeheer zich op dit standpunt plaatst, zich het doel voor oogen stellend, dat het Openbaar Leesmuseum als het ware de werkplaats moet worden, waar elk sociaal-paedagogisch werk op den voet gevolgd en van de hulpmiddelen, die het noodig heeft, voorzien wordt, eerst dan voldoet een Openbaar Leesmuseum aan den laatsten en zwaarsten eisch: een instelling van opvoedkundige beteekenis te zijn voor het geheele maatschappelijk leven.

60. Zonder den nadruk te leggen op het zelf geven van direkte leiding bij het streven naar ontwikkeling, maar ook niet langer afwachtend en lijdelijk, gelijk de bestaande wetenschappelijke-

Sluiten