Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ik meen, dat hetgeen daarmede in de eerste plaats bereikt wordt, niet méér is dan een verscherping der onderlinge concurrentie, n.1. tusschen hen, die met de verkregen ontwikkeling hun bestaan verzekeren moeten. Het komt mij voor, dat het algemeener openstellen van de gelegenheden, waar ontwikkeling te bekomen is, slechts de aan bekwaamheid en geschiktheid gestelde eischen verhoogt; en dal dit op zijn beurt in de eerste plaats alleen den persoonlijken bestaansstrijd verscherpen zal in een op de basis van concurrentie opgetrokken maatschappelijk stelsel. Eerst van later gewicht is de overweging, dat algemeener onderricht ook aan breeder kringen dezelfde economische voorwaarden biedt tot welslagen, daar deze strekking door nog talrijke andere invloeden wordt tegengewerkt, b.v. betere financieel uithoudingsvermogen, enz.

103. Men overschatte verder niet de rol, die ontwikkeling en de plaatsen, waar die bijgebracht wordt, in den klassenstrijd zelf te spelen heeft. De machtsverhoudingen, die op den klassenstrijd invloed uitoefenen, berusten geenszins op meerdere of mindere mate van ontwikkeling: ware in werkelijkheid het overwicht ter eener of ander zijde door de meerdere ontwikkeling gegeven, zoo zou deze superioriteit onaangevochten moeten blijven. Maar het zijn integendeel andere dan ontwikkelings-, n.1. bezitstegenstellingen, die den klassenstrijd deden geboren worden en in leven houden.

Wel zien wij ontwikkeling en geestelijk vermogen in den klassenstrijd als hulp- en strijdmiddelen gebruikt, en dan als waardevol door alle partijen erkend. En het kan ons dan ook niet verwonderen, dat de moderne arbeidersbeweging dit wapen mede voor zich opeischt, en steun geeft aan pogingen om langs eenvoudigen. weinig kostbaren en algemeenen weg aan ieder de kans te bieden zich die ontwikkeling eigen te maken. En zóó zien wij dan ook van die zijde veel verwacht van Openbare Leesmusea, die volgens hunne meening bijdragen zullen tot de meerdere bewustwording van het «proletariaat». ')

104. Invloed op lektuur. Wanneer wij nu al deze meeningen aangaande het nut en het doel van Openbare Leesmusea nagaan van het standpunt der Openbare Leesmusea, zoo kunnen wij zeggen, dat al deze meeningen wel, de eene meer, de ander minder, verband houden met het werk van Openbare Leesmusea, maar wij

') Zie b.v. K. K a u t s k y, Am Tage nach der sozialen Rcl'orra. Berlin, 1903, S. 6,7.

Sluiten