Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

332. Weenen; Bremen. Een ander voorbeeld geeft inlichtingen over de uitgaven van een bibliotheek, die van den ingeschreven lezer een jaarlijksche contributie, en bovendien per uitgeleende band onderhoudende lektuur, leesgeld vraagt: de merkwaardige «Centralbibliothek» te Weenen, opgericht en geleid door

Prof. E. Reyer1).

Weenen (Centralbibliothek, 1904).

(1 Centrale, 20 filialen; 1.848.155 uitleeningen; ± 170.000 ingeschreven lezers; 35 beambten; 1.797.992 inwoners.)

Boeken Kr- 29234-22

Binden » 14401.39

Drukwerk * 2Ó58'

Inrichting * 2I79>57

Salarissen * 3S2I4>33

Lokaalhuur * 16956,68

Verlichting en verwarming » 3664.76

Porti en transportkosten » 5Ó95,61

Verzekering * 889,52

Rente en schuldaflossing » 15661,32

Diversen IOQ'

Totaal. . . Kr. 129.655,40 De uitgaven van een Openbaar Leesmuseum, dat zich door te geringen geldelijken steun verplicht zag, in het derde jaar een leesgeld te heffen, waren als volgt:

Bremen (1904).

(48.638 bezoekers; 99.138 uitleeningen; 214.879 inw.).

Boeken enz.; bureaukosten M. 11688,55

Salarissen * 10271,70

Verdere kosten * 7996,95

Totaal. . . M. 29.9^.20

333. Hamburg. Een bibliotheekvereeniging, die tot heden gelukkiger was, is Hamburg. Ik neem in extenso de uitgavecijfers dezer instelling over, omdat deze het best aantoonen, tot welke krachtsontwikkeling een, door een bibliotheekvereeniging onderhouden instelling kan geraken. Ondanks totaal onvoldoende localiteiten in het hoofdgebouw, heeft deze Biicher- und Lesehalle een mooien staat van dienst aan te wijzen.

*) Over het vragen van leesgeld, zie § 345 seqq.

Sluiten