Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ernst over zyn gezicht en ziet men als 't ware met een huiver, het wegzweven van zyn ziel, hoort men het vreemde klapwieken van den geest, voelt men de stijging der groote verbeelding. Dan speelt hy even, gansch en al onbewust, is zijn cello een goddelijk wezen dat zingend schreit en verhaalt van wazige geheimen, die wij aanhooren in een soort luisterende betoovering, maar onmiddellyk weer vergeten in vreemden smartzwymel.

Op die momenten is zijn spel zonder eenige sensueele streeling en zins-ontbranding; dan is er iets geheel immaterieels om hem, om zijn instrument, zyn spelende handen, zijn even gebogen hoofd, dat schijnt te luisteren naar de zuchten van zijn cello.

Zoo heb ik hem, ook in gezelschap van den magnifieken muziekvoeler Cornelis Spoor, juist weer hooren spelen op de kamer bij Dirk Schafer, z. g. repeteerend voor hun eerste samenspel. Ze speelden de vijfde Beethoven-sonate voor cello en piano. — Bij het adagio ontbloeide dit wonder.

Schafer, een der grootste muzikale uitbeelders van dezen tyd, had een soort fluïde in de fijne, witte handen, zóó zacht, zoo droef-gedempt zong zijn klavier mee met de cello. Schafer bracht een mysterieuzen zang in de toetsen, die heelemaal niet onder zijn wondervingers uitzweefden. Er was een ingehouden teederheid die beangstigde, een touché dat neerkwam op toetsen van dons en zoete kweelery. Met de fijne kussens der vingertoppen fluideerde hy de cantileen uit het ivoor,

Sluiten