Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gevoels-innerlyk leeft in dit bonte boek een ziel. Ze is er in al het onrijpe, oud-romaneske, precieuse en pompeuze. Lees eens:

„En de zilveren maan belachte kalm en vriendelijk, de omhelzing van twee menschen, een oud en een jong leven, moeder en kind,".

Dan vraagt René naar vader, maar die is er niet meer

„En weer lachte de maan ... nu om het leed van twee menschen, een jong en oud leven, moeder en kind".

Is dat niet diep ouderwetsch, zoo'n maan-inmenging, en dat „lachen" van de bleeke bolle koonen.

Hierbij zou Mephisto een pathetischen deun af janken en huilen als een uitgehongerde jakhals. En toch is er een roerende zachtheid in, romanesk, zeer kinderlijk en vreemd aan de realistische rauwheid van in brutalen zwier scheldwoorden rondsmakkende pieten! Te betreuren is de gewilde dichterlijkheid. Weet, waarde heer Lauer, dat men geen dichter is, door dichterlijk te doen, geen mysticus door „mysterieus" te doen. Een jochie als Peter van der Meer is u tot leering op het ééne, en zooveel prullen in maat-proza zijn 't op het andere gebied. Wilt ge het donkerst-dwaze proza-gemystiflceer van dezen tijd, neem heer Plaesschart, met den sneer van het oude in den futloozen modernen stotter-mond, en de fatterig-archaïstische taal-leeghoofderij tot voorbeeld.

De dubbele natuur van Lauer openbaart zich heel zuiver in zijn René-figuratie, van mensch-uitbeelding mag geen sprake zijn. Gevoelig voor moreele schoonheid,

Sluiten