Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en macabre dooréén, vragend, sprekend, angstig, opgejaagd tusschen de mannen en kinderen. —

Daar over heen het gebons en gedreun van rijtuigen, van karren, van trams-in-vaart, van omnibussen. Geklinkel en gerinkel van schellen, getoeter en geraas van auto's. Daartusschen het stern-geroep van krantenjongens, het gerucht van schreeuwende schepselen en het angstige geschuifel van duizenden en duizenden en weer duizenden, in gewriemel door elkaar heen. En alles overgoten door boulevard-licht, het geklank en gedruisch, het krioelende leven der wereldstad.

Maar hoog bóven al het druischende, wemelende, — de bange ontzettende brandlucht, al rooder, al rooder trekkend, als een symbool van godenwraak.

Ik leefde in een visioen. Ik hallucineerde, verlamd door het misbaar en de kokende menschenwemeling, verlamd door het lïcht, tot blindheid gestoken door de felheidvan-leven hier en het schrikl^jke der vreemde omgeving. Ik voelde dien brand als een soort godsgericht. Dat moderne Sodom zou vergaan, voor mijn voeten. Daar was al uitgespreid de roode vuur-nacht, de bange hemelgloed, die overal huiverige rosse glansingen, spokig-hel versidderde om de huizen. Alles leefde voor mij als in een doodelyken schrik, een zieke ontsteltenis, alsof op doorbraak stond een vergaan-der-wereld, een zondvloed.

De menschen leeken mij rechtopgaande snuittorren, reuzig vergroot, en de huizen vooral, de gevels en toppen, vaal van schrik, tot een angstige lichtklaarte aangegloeid, yselyk van wildheid in de avond-

Sluiten