Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uitpluizerijen en losrafelingen en webbingen van dingen die nooit analytisch gevoeld, wel analytisch uitgedacht worden, grijpen bijna nergens 't leven, of 't levensbeeld dat ze ons willen voorhouden, van 'n bepaalden toestand of persoon. — Je hoort de stem van haar man niet, geen geluid van haar kinderen. Er is geen lach, geen snik, geen uitroep, dan soms éven van haar-zelve, en dadelijk ook weer ingehaakt in 't rafel-web van uitputtende, zich immer herhalende zelf-ontleding.— Haar man zien we onder haar ziels-suggestie in bijna angstige hypochondrie. "We zien hem niet eenigszins geobjectiveerd 'n eigen bestaan leven. Maar we hooren alléén de schrijfster die van haar man spreekt. Zie nu eens de subtiele teederheid waarmee Rousseau madame De Warens in zijn Confessions voor ons laat leven, haar bloei en tragischen val. Die vrouw ademt op zich-zelf, al wordt ze op de pathetische gevoels-stroomen van Rousseau's zielebeweeg dobberend verlicht. Ook daar is bij Rousseau de auto-analyse zich verzwakkend vaak in ziekelijke verfijning, maar de verweeking is van een zacht-aanstemmende charme, van een teederheid, die nooit pervers wordt in haar diepere verlangens. Bij Rousseau is de karakterschepping, schoon saamgeweven met ontleding van eigen gewaarwordingen, toch overschenen van een ontroerings-licht, dat iederen trek van deze dierbare vrouw aantrilt. De aandoening zingt zóó in de zinnen, lang, heel lang, zoolang dat men de ziekelijkheid en overgevoeligheid vergeet. Bij E. S. is 't alsof iedere ontroering dadelijk stolt in 't woord, ontroering die

Sluiten