Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eigen opgaaf op bet beschrijvingsbiljet wel in de belasting zouden vallen. Prov. verslag Overijssel over 1903.

5. In eene bepaling in eene verordening betreffende den hoofdelijken omslag, dat de belastingplichtige bevoegd is óf het juiste bedrag van zijn inkomen op te geven, 6f alleen de klasse aan te geven waarin hij behoort aangeslagen te worden, terwijl hij in het laatste geval aangeslagen wordt naar het maximum der betrekkelijke klasse, is geen strijd met de wet te ontdekken. Gemst. 2406.

6. De omstandigheid, dat de aanslag ambtshalve geschiedt, ontneemt aan den belastingheffer niet de bevoegdheid om zich voor dien aanslag zekere gegevens te doen verschaffen door de belastingschuldigen. Ook bij eene heffing, die op eigen aangifte steunt, kan aan het gemeentebestuur de bevoegdheid gegeven worden van de aangifte af te wyken, zoodat ook daarbij de aanslag ambtshalve kan geschieden. Tusschen de beide stelsels bestaat dan ook in zooverre geen principieel verschil, dat het steeds burgemeester en wethouders en de raad zijn, die de kohieren vaststellen en dus ten slotte het bedrag van den aanslag bepalen. Gemst. 2597.

7. De eed als dwangmiddel, tot het bekomen van juiste opgaven omtrent ieders inkomen, is in de wet niet bekend. Had de wetgever die bevoegdheid aan de gemeentebesturen willen toekennen, dan had men mogen verwachten, dat hij die uitdrukkelijk zou hebben verleend; nu de wet hieromtrent het stilzwijgen bewaart, moet men aannemen, dat hij die bevoegdheid niet wil geven. M.O.B.Z. 1874 en 1877; Gemst. 1435; W.B.A. 1529.

8. De gemeentewet heeft den eed niet uitgesloten als bewijsmiddel voor de juistheid van aangiften ter zake van belastingen. Daartegen bestaat te minder bezwaar, wanneer het afleggen van den eed aan den wil des aangevers wordt overgelaten. Ook de Rijkswetgever heeft, blijkens art. 28 der wet op het recht van successie enz., den eed als bewijsmiddel voor de juistheid der aangiften bevolen. M.v.B.Z. 1878; Gemst. 1456.

9. De verordening der gemeente Rijswijk bepaalde in artikel 9, dat van personen, die tegen hu»! aanslag reclftmeeren, kon worden gevorderd, dat zij eene verklaring aflegden omtrent hun inkomen, terwijl op het afleggen eener valsche verklaring art. 207 van het wetboek van strafrecht van toepassing werd verklaard en tevens werd bepaald, dat de aanslag van wie de verklaring weigerde, zou worden gehandhaafd.

Ged. Staten schreven hieromtrent aan het gemeentebestuur het volgende :

„Tegen de bepaling van art. 9 bestaat bij ons bezwaar.

„Het reclamerecht tegen aanslagen is in de gemeentewet geregeld in „dien zin, dat de gemeenteraad en c. q. ons college geheel vrij is in zijn

1*

Sluiten