Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

AFTREK VOOR "VOODZAKEU TK LEVENSONDERHOUD.

gen, de algemeen geldende aftrek voor de gezamenlijke leden toepasselijk is en ieders inkomen met een gelijk deel van dien aftrek moet worden verminderd.

Een der aangeslagenen achtte deze bepaling op haar aanslag niet van toepassing, vermits zij niet was bloedverwante, doch aanverwante van het hoofd van het gezin, waar zij inwoonde.

De aanslag was evenwel naar de meening van ons college terecht geschied, vermits de reclamante, blijkens ingewonnen berichten, bij eene gehuwde zuster harer moeder inwoonde.

Een daarop door de adressante tot H. M. de Koningin gericht .verzoek om vernietiging of schorsing van ons besluit, waarbij haar aanslag, in den hoofdelijken omslag over 1901 werd gehandhaafd, en om te be- * vorderen, dat die aanslag worde berekend over haar inkomen, verminderd met een bedrag van f 250.— voor noodzakelijk levensonderhoud, had, zooals te verwachten was, niet het door adressante gehoopte succes ten gevolge.

Haar werd nl. medegedeeld, dat er voor tusschenkomst der Regeering in deze geen termen bestonden. Prov. verslag Noord-Brabant over 1902; Genist. 2706.

24. In de verordening op de heffing mag niet de bepaling worden opgenomen, dat ongehuwden b.v. 25 of meer percenten betalen boven hoofden van gezinnen, daar de uitdrukking „uiterlijke staat" ziet op de levenswijze, maar niet op den burgerlijken staat. Gemst. 2432.

25. Het verschil in aftrek voor noodzakelijk levensonderhoud tusschen eenloopende personen en gezinshoofden mag alleen bestaan in het bedrag, dat bij laatstgenoemden voor de leden van het gezin is toegestaan. Is dus de aftrek voor gezinshoofden — buiten die voor de kinderen — gesteld op f 500, dan moet dit bedrag ook voor de eenloopende personen aangenomen worden.

Het voordeel, dat door de belastingschuldigen van de gemeente genoten wordt, blijft hier buiten aanmerking, omdat dit geen factor is bij de bepaling van het „belastbaar inkomen". De ratio van den aftrek voor leden van het gezin is dan ook enkel, dat het noodzakelijk levensonderhoud grootere uitgaven medebrengt, naarmate meer personen uit het inkomen van den belastingschuldige moeten onderhouden worden. Genist. 2779.

26. De bepaling in eene verordening, dat voor belastingschuldigen, die met hunne familieleden te zamen één gezin of gemeenschappelijk eene huishouding vormen, de aftrek voor noodzakelijk levensonderhoud alleen zal worden toegepast op het inkomen van hem of haar, die van het gezin of de huishouding het hoofd is, is niet in overeen-

Sluiten