Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDVERBLIJF.

Thans viel nog uit te maken, voor hoeveel maanden reclamant had moeten worden aangeslagen. Volgens genoemd wetsartikel nu behoorde reclamant in den hoofdelijken omslag bij te dragen over zooveel twaalfde gedeelten van den aanslag over een vol jaar als het getal maanden bedroeg, waarin hij zijn hoofdverblijf in de gemeente had gehad, gedeelten van maanden voor geheele gerekend. Voorts moest, krachtens de laatste alinea van dit artikel, niet uitsluitend naar de verklaring, in art. 76 van het burgerlijk wetboek bedoeld, maar naar de omstandigheden worden beoordeeld, in welke gemeente het hoofdverblijf was gevestigd geweest. De raad nu ontkende in zijn advies niet de juistheid van reclamants bewering, dat na 12 Augustus geen enkel lid van zijn gezin, noch eenig stuk van zijn inboedel zich meer binnen de gemeente had bevonden. Naar ons oordeel duidden deze omstandigheden genoegzaam aan, dat reclamant kon worden geacht, van den genoemden datum af zijn hoofdverblijf niet meer in de gemeente te hebben gehad. En daar nu hij, die hoofdverblijf heeft in een gemeente, volgens gemeld wetsartikel, in de eerste vijftien dagen van de maand van verhuizing in de gemeente van vertrek niet in den hoofdelijken omslag behoeft bij te dragen, was, volgens ons gevoelen, reclamant voor de maand Augustus ten onrechte aangeslagen. Wij wezen op deze gronden dan ook de reclame in zóóverre toe, dat reclamant over een tijdvak van drie maanden in den hoofdelijken omslag werd aangeslagen. 1'rov. verslag Friesland over 1900.

5. Het is in strijd met art. 245, laatste lid, gemeentewet het tijdstip van verplaatsing van hoofdverblijf uit de gemeente alleen te beoordeelen naar den datum van afgifte van het verhuisbiljet. Kon. besluit 2 Juni 1903 (Stbl. no. 147); Genist. 2699.

6. De inspecteur van den arbeid in de 6e inspectie achtte zich ten onrechte ook over de maand Juni van het dienstjaar in den hoofdelijken omslag der gemeente Leeuwarden aangeslagen, daar hij, gelijk hij beweerde, gedurende die maand nog zijn hoofdverblijf in Groningen zou hebben gehad, welke gemeente hem bij ministerieele beschikking van 1 Juni tot 1 Juli als standplaats was aangewezen. Wel had hij in den loop van Juni zijn verhuisbiljet te Groningen aangevraagd en dit in die maand te Leeuwarden ingeleverd, doch dit was, naar hij te kennen gaf, slechts het gevolg van zijn streven, om te volgen de op dit punt in Groningen bestaande en daar door de noodzakelijkheid geëischte gewoonte, om eenigen tijd vóór het werkelijk vertrek aangifte daarvan te doen. Zijns inziens had de raad zich dan ook ten onrechte in zijn afwijzende beslissing in eersten aanleg op dat feit beroepen. Voorts maakte reclamant nog melding van de ministerieele beschikking, waarbij hem Leeuwarden, met ingang van 1 Juli, als standplaats voor de nieuw opgerichte 9e inspectie werd aangewezen, terwijl hij zich subsidiair beriep op de exceptie van de tweede

Sluiten