Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gemeentelijken hoofdelijken omslag niet in dezelfde gemeente hoofdverblijf hadden en ieder in de gemeente van zijn hoofdverblijf wordt aangeslagen in den omslag;

„dat hij derhalve ten onrechte voor een vol jaar was aangeslagen." Prov. verslat/ Friesland over 1905.

14. Een wijnkooper, die zijne zaak te Amsterdam had, maar elders beweerde woonachtig te zijn, verzocht Ged. Staten zijn aanslag voor een vol jaar in de plaatselijke directe belasting te Amsterdam terug te brengen tot eenen aanslag over 4/jg gedeelten, op grond, dat hij sinds eenige jaren zijn domicilie van Amsterdam had overgebracht naar eene andere gemeente, waar hij zijn dienstpersoneel voor de personeele belasting had aangegeven, waar hij kiezer was en ten volle in de gemeentelijke lasten bijdroeg, terwijl zijn huis te Amsterdam gedurende ongeveer zeven maanden gesloten was en slechts van half November tot het laatst van de maand April door hem bewoond werd.

Deze aanslag werd gehandhaafd. Voorop stellende, dat de plaats, alwaar het hoofdverblijf in den zin van art 245, eerste lid, sub 1°., der gemeentewet gevestigd was, niet uitsluitend naar de verklaringen, in art. 76 van het burgerlijk wetboek bedoeld, maar naar omstandigheden moest beoordeeld worden, waren Ged. Staten van oordeel, dat geenszins bleek, dat de gemeente Amsterdam niet meer was het hoofdverbljjf van reclamant, daar er geene wijziging was gekomen in de verhouding, welke reeds sinds langen tijd tusschen hem en de gemeente Amsterdam bestond.

Reclamant, die sinds geruimen tijd te Amsterdam domicilie had, was toch, ook na de door hem gedane verklaring, ingevolge art. 76 van het burgerlijk wetboek, geregeld op de werkdagen te Amsterdam aanwezig ter uitoefening van zijn bedrijf als wijnkooper, terwijl aldaar zijne vroegere woning, al werd zij dan ook slechts gedurende ongeveer vijf en een halve maand door hem betrokken, steeds voor hem beschikbaar bleef. Prov. verslag Noord-Holland over 1900.

15. Eene weduwe, die vroeger gewoon was eiken zomer eenige maanden buiten Amsterdam te gaan doorbrengen, was omstreeks 1 Mei 1899 naar Baarn vertrokken met haren zoon, die voor een geruimen tijd uit Indië was overgekomen en had daarbij het voornemen toen haar hoofdverblijf naar Baarn over te brengen.

Toen hierin na ongeveer zes maanden wijziging kwam, omdat de inwonende zoon door onvoorziene omstandigheden vroeger naar Indië terugkeerde dan hij oorspronkelijk voornemens was en reclamante daarop vóór 1 November 1899 haar verblijf weder naar Amsterdam overbracht, om te wonen in de plaats, waar haar andere zoon gevestigd was, werd zij aldaar voor den vollen dienst 1899/1900 in de plaatselijke directe belasting naar het inkomen aangeslagen.

2*

Sluiten