Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ged. Staten hebben, ingevolge het verzoek van reclamante, haren aanslag teruggebracht op */i 2 van den volj aars-aanslag, wijl zij geacht moest worden van 1 Mei tot ultimo October 1899 haar hoofdverblijf te Baarn te hebben gehad. De omstandigheid, dat reclamante bij haar vertrek naar Baarn de enkele weinige meubelen, welke zij van haren reeds veel vroeger verkochten inboedel had overgehouden, te Amsterdam in bewaring gaf, kon naar hun oordeel tegen hunne opvatting niet worden aangevoerd, aangezien zij die meubelen in het door haar bewoonde pension te Baarn niet kon onderbrengen, en deze toch ergens moesten bewaard worden. Prov. verslag Noord-Holland over 1901; W.B.A. 2794.

16. Een ontvanger der invoerrechten en accijnzen maakte bezwaar tegen zijn aanslag over een vol jaar, vermeenende, dat hij slechts over den termijn, verstreken na 1 Augustus 1901, kon worden aangeslagen, omdat hij vóór dien datum zich op kamers had beholpen en 'woonplaats had gehouden in eene andere gemeente, waar hij tot dien tijd ook zijn gezin had achtergelaten. Een ingesteld onderzoek deed zien, dat reclamant sinds zijne benoeming tot ontvanger, reeds vóór den aanvang van het belastingjaar in de gemeente, alwaar hij zijne betrekking uitoefende, kamers in huur had en hij aldaar in den regel van Maandagmorgen tot Vrijdagavond vertoefde.

Ged. Staten meenden, dat dit feit, in verband met den aard der door hem bekleede betrekking, die hem verplichtte hoofdverblijf te hebben in zijne standplaats, voldoende aantoonde, dat hij aldaar een vol jaar hoofdverblijf had gehad, en hebben op dien grond zijn aanslag behouden. Prov. verslatj Noord-Holland over 1902.

17. Een reclamant beweerde ten onrechte in den hoofdelijken omslag te B. te zijn aangeslagen, vermits hij niet te B., doch te W. woonde.

Tegenover deze bewering van den reclamant stond echter de verklaring van het gemeentebestuur van B., dat de verandering van woonplaats van den reclamant in Augustus 1898 slechts was geweest fictief, dat hij alstoen zijne woonplaats niet naar W. had overgebracht, doch te B. zijn hoofdverblijf had behouden, alwaar hij zijn bedrijf uitoefent en alwaar hij eigenaar van een zaak is. Op eene nadere vraag van Ged. Staten gaf het gemeentebestuur van B. te kennen, overtuigd te zijn en ook van betrouwbare zijde nog de verzekering te hebben ontvangen, dat de reclamant geen driemalen in het jaar 1901 te W. is verbleven, ofschoon hij daar in de bevolkingsregisters was ingeschreven; dat hij te B. geregeld nachtverblijf hield en daar zijn hoofdverblijf had.

Het gemeentebestuur van W., dat eveneens over deze reclame werd gehoord, deelde mede, dat de reclamant in die gemeente wel in de bevolkingsregisters was ingeschreven, doch aldaar geen woonplaats had; dat hij dan ook over 1901 niet in den hoofdelijken omslag te W. werd aange-

Sluiten