Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

acht te behooren minderjarigen en onder curateele gestelden, voor zooverre hunne ouders, hun voogd of hun curator alhier woonplaats hebben." Door Ged. Staten werd geheele ontheffing van den aanslag verleend. In hun besluit werd overwogen:

O

„dat het in deze vaststaat, dat de curanda van den appellant sedert 1 Juli 1902 bij voortduring, ook in 1904, haar hoofdverblijf heeft gehad in het in de gemeente Ermelo gevestigd gesticht voor krankzinnigen en in die gemeente in den hoofdelijken omslag is aangeslagen;

„dut volgens de uitdrukkelijke bepaling van artikel 245 der gemeentewet, de belastingschuldigen in den hoofdelijken omslag worden aangeslagen in die gemeente, waar zij gedurende het belastingjaar hun hoofdverblijf hebben en dat de vraag, waar het hoofdverblijf geacht moet worden gevestigd te zijn, niet uitsluitend moet beoordeeld worden naar de veiklaring van art. 76 burgerljjk wetboek, maar naar de omstandigheden;

„dat, waar woonplaats en hoofdverblijf te zamen vallen, genoemd lid van artikel 2 zijne toepassing vindt, doch dat waar dit niet het geval is, zooals in casu, deze bepaling niet toepasselijk is en de aanslag plaats heeft in de gemeente, waar het hoofdverblijf is gevestigd;

„dat volgens advies van den raad het wel de bedoeling van den raad is geweest om minderjarigen en onder curateele gestelden, die elders hoofdveiblijf hebben, ook in den hoofdelijken omslag der gemeente aan te slaan, als hun ouders, voogden of curators in de gemeente wonen, doch dat die bedoeling niet blijkt uit de woorden van genoemd artikel en dit ook niet op andere wijze is gebleken;

„dat toch de raad daarin heeft verordend, dat minderjarigen en onder curateele gestelden, vertegenwoordigd door hunne ouders, voogden of curators, behooren tot de personen in art. 245 bedoeld, met andere woorden tot de personen, die wegens hun belastingplicht worden aangeslagen ter plaatse waar hun hoofdverblijf is gevestigd;

„dat, indien aan bedoeld artikel de uitlegging zoude moeten worden gegeven, die de raad zoude bedoeld hebben daaraan te geven, de verordening in zooverre zoude zijn in strijd met de wet, en art. 236 der gemeentewet zoude toepasselijk zijn, daar aan den raad niet de bevoegdheid toekomt, behalve waar dit uitdrukkelijk is toegestaan, om nevens de wet 'bepalingen vast te stellen, die de wet uitbreiden;

„dat echter bedoeld artikel niet in strijd is met de wet, doch eene vrijwel overbodige bepaling is, om wanneer het hoofdverblijf van den minderjarige of onder curateele gestelde tevens zijn woonplaats is, het van zelf spreekt, dat hij daar wordt aangeslagen, niet omdat hij daar woont, maar omdat hij daar hoofdverblijf heeft." Prov. verslag Groningen over 1905.

43. Een krankzinnige, die in een gesticht verpleegd wordt, kan o. i. krachtens art. 245, sub 1, der gemeentewet, in de plaats, waar het ge-

Sluiten