Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ged. Staten wezen de reclame in beroep van de hand. Bij hunne beslissing stelden zij voorop, dat, volgens art. 245 der gemeentewet, waarnaar bij art. 2 der heftingsverordening werd verwezen, in den hoofdelijken omslag, onder anderen, worden betrokken zij, die in de gemeente hun hoofdverblijf hebben, en dat reclamant, zoowel volgens de verklaring, bedoeld in art. 76 van het burgerlijk wetboek, als volgens de omstandigheden, die blijkbaar ook door hem niet in anderen zin werden uitgelegd, waar hij zich als leerling te Sneek qualificeerde, moest worden geacht zijn hoofdverblijf aldaar te hebben. Voorts vestigden zij reclamants aandacht er op, dat, waar hij, blijkens het beroep op zijn minderjarigheid, van meening scheen te zijn, dat zijn hoofdverblijf slechts daar kon zijn gevestigd, waar zijn wettelijk domicilie was, d.i. ter woonplaats van zijn voogd, hij voorbij zag, dat na de wijziging, door de wet van 7 Juli 1865 (St.bl. no. 79) in art. 245 der gemeentewet gebracht, woonplaats en hoofdverblijf niet noodwendig samenvallen. Prov. verslag Friesland over 1900.

In gelijken zin Genist. 2729.

47. Een aangeslagene in den hoofdelijken omslag te Sappemeer, wonende te Hoogezand, kwam bij Ged. Staten in beroep van de afwijzende beslissing van den raad van eerstgenoemde gemeente op zijne reclame betreffende zijn aanslag over 1904.

Door den gemeenteraad was bij zijn daarover uitgebracht ad vies bericht, dat appellant is ongehuwd, dat hij met zijn neef het beroep van houthandelaar onder de firma E. en C. Maathuis uitoefent te Hoogezand; dat de hoofdadministratie dier firma is te Sappemeer; dat het motief, om appellant op het suppletoir kohier over 1904 aan te slaan, daarop berust, dat hij sinds Februari 1904 des nachts te Sappemeer verblijf houdt, aldaar zijn hoofdverblijf had gevestigd en dagelijks naar Hoogezand ging voor de uitoefening zijner zaak.

Door appellant werd tot nadere toelichting medegedeeld, dat om zijn geschokt zenuwgestel het beter is geoordeeld des nachts by zijne ouders (te Sappemeer) te logeeren, doch dat hij van den morgen tot den laten avond zijn verblijf houdt te Hoogezand, waar hij uitsluitend de aldaar gevestigde handelszaak van zijne firma bestuurt en administreert; dat, wanneer hij niet op het kantoor of op andere wijze in de zaak werkzaam is, hij zijn verblijf houdt in voor hem beschikbare kamers in een hotel, waar hij zijn verblijf houdt en waar hij hetgeen hij voor voeding of anderszins voor zich noodig heeft, gebruikt.

Door Ged. Staten werd van den aanslag ontheffing verleend op de overwegingen:

„dat appellant door het gebruik maken van de door zijne ouders hem aangeboden gastvrijheid des nachts te hunnen huize te logeeren, niet kan worden geacht, daarmede zijn hoofdverblijf aldaar te hebben gevestigd;

3*

Sluiten