Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

week ter waarneming van zijn ambt had vertoefd. Prov. verslag NoordHolland over 1899.

58. Een in September 1904 benoemd rechter in de rechtbank te Leeuwarden, die de betrekking aanvaardde in October 1904, was door den gemeenteraad in den hoofdelijken omslag over dat jaar aangeslagen voor drie maanden. Zijne reclame, gegrond op het feit, dat hij eerst in December 1904 zijn hoofdverblijf in de gemeente L. zou hebben gevestigd, aangezien hij te L. geen geschikt verblijf kon betrekken, zoodat hij tot halt December in den Haag is blijven wonen, werd door Ged. Staten toegewezen in dier voege, dat reclamant nader werd aangeslagen voor een twaalfde gedeelte van den aanslag over een vol jaar. Ged. Staten overwogen daarbij:

«dat de raad alleen mededeelt, dat reclamant na zijne installatie als rechter voorloopig zijn intrek had genomen in een hotel te L., daaraan toevoegende, dat het feit, dat reclamants gezin voorloopig te 's Gravenhage gevestigd bleef, geen bewijs kon opleveren, dat de reclamant zijn hoofdverblijf in die gemeente had, en dat hij, waar machtiging om aldaar zijn hoofdverblijf te houden voor hem was uitgesloten, verplicht was met de aanvaarding van zijn ambt zijn hoofdverblijf naar L. over te brengen;

„dat art. 15 der wet op de rechterlijke organisatie bepaalt, dat een rechter zijn vast en voortdurend verblijf' heeft in die gemeente, waar zijn college is gevestigd, of binnen den afstand van 1000 M. daarbuiten;

„dat dit voorschrift niet strekt om te verklaren, dat van het oogenblik. dat iemand deel gaat uitmaken van een rechterlijk college, de gemeente, waar dit gevestigd is, zijn wettelijk domicilie of zijn hoofdverblijf in den zin van art. 245 der gemeentewet is geworden, doch enkel een plicht aan den rechter oplegt om in of onmiddellijk bij die gemeente zich blijvend te vestigen ;

„dat zijne benoeming of infunctie-treding dus niet uit kracht der wet eene verandering van hoofdverblijf medebrengt, terwijl het gebod van art. 15 voornoemd slechts dan verandering van hoofdverblijf ten gevolge heeft, wanneer en zoodra het werkelijk is opgevolgd;

„dat reclamant verklaart niet bij machte geweest te zijn om dit gebod onmiddellijk na zijne infunctie-treding als rechter op te volgen en dientengevolge ook na die infunctie-treding zijn hoofdverblijf nog gedurende eenige maanden te 's Gravenhage te hebben gehouden;

„dat naar het oordeel dezer vergadering op grond van art. 245 gemeentewet de omstandigheden moeten uitmaken, in welke gemeente tusschen reclamants infunctie-treding als rechter en het door hem en zijn gezin betrekken van eene woning te L. zijn hoofdverblijf gevestigd was."

Uit de omstandigheden maakten Ged. Staten voorts op, dat de reclamant moest worden geacht niet vóór de maand December 1904 te L. hoofdverblijf te hebben gehouden. Ged. Staten Friesland 9 November 1905; Gemst. 2826; W.B.A. 2947.

Sluiten