Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

59. Een bezwaarschrift betrof het verzoek van een in de betrokken gemeente gedomicilieerd schipper om vrijstelling van den omslag op grond, dat hij geen drie maanden voluit in die gemeente vertoefde. Dit bezwaarschrift werd afgewezen, omdat de adressant geacht moest worden in den zin der wet hoofdverblijf in die gemeente te hebben, zoodat hij, ongeacht den duur van zijn werkelijk verblijf aldaar, ingevolge art. 245 der gemeentewet, terecht over het geheele jaar in den omslag dier gemeentekas aangeslagen. Prof. verslag Drenthe over 1905.

60. De omstandigheid, van als student in eene universiteitsstad

gemeubileerde kamers te bewonen, wettigt de opvatting volkomen, dat het hoofdverblijf van den bewoner in den zin van art. 245 der gemeentewet in die stad is gevestigd. Geel. Staten Zuid-Holland 1887 ; Gemat. 1968 ; W.B. A. 2075.

61. Het feit alleen, dat de bezittingen van een veroordeelde in de gemeente gelegen zijn, brengt nog niet noodzakelijkerwijze mede, dat hij, bij zijn vertrek naar de gevangenis, zijn hoofdverblijf daar behoudt. Of hij dus daar in den hoofdelijken omslag kan aangeslagen worden, hangt van de omstandigheden af; indien hij b.v. aldaar zijn gezin achterlaat of eene woning voor zich beschikbaar houdt, zou die gemeente, ook gedurende den tijd, dien hjj in de gevangenis doorbrengt, als zijn hoofdverblijf te beschouwen zijn. In dat geval moet hij niet in de gemeente, waarin de gevangenis ligt, belastingplichtig worden geacht, omdat een gedwongen vertoeven in eene gevangenis niet te beschouwen is als een „verblijf", bedoeld in art. 245 no. 3 gemeentewet. Gemst. 2412.

62. Het feit, dat men wethouder is in eene gemeente, bewijst voldoende, dat men, voor zooveel de toepassing van art. 245 betreft, aldaar zijn hoofdverblijf heeft. Rechtb. Amsterdam 31 Juli 1877; iir. v. h. li. 4234; Gemst. 1390.

63. De raad moet niet bevoegd worden geacht de omstandigheden te omschryven, waarnaar beoordeeld moet worden in welke gemeente iemand moet worden aangeslagen. De zaak staat niet gelijk met de „grondslagen". Het verschil ligt reeds in de woorden. Dat de grondslagen, waarnaar eene belasting geheven zal worden, a priori moeten vaststaan, spreekt wel van zelf; zoo is het ook in de wet op de personeele belasting begrepen. Het woord „omstandigheden" daarentegen is eene vage uitdrukking, die de wetgever o. i. met opzet gekozen heeft, ten einde aan de autoriteiten de meest mogelijke ruimte te laten in de beoordeeling van de feiten en omstandigheden, die tot het aannemen van hoofdverblijf kunnen leiden. Had de wet eene omschrijving van die omstandigheden door den raad bedoeld, zij zou het zeker hebben gezegd. Gemst. 1687.

Sluiten