Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

GEMEUBELDE WONING.

de eigendom, doch het beschikbaar houden van een gemeubileerd pand de belastingplichtigheid in het leven roept, en dat de wet niet onderscheidt, of dit beschikbaar houden door één dan wel door meerdere

personen geschiedt; dat uit een onderzoek is gebleken, dat de reclamant gedurende het geheele jaar 1902 de bewuste woning te O. — zij het dan in vereeniging met meerdere eigenaren - beschikbaar heeft gehouden;

,0. wat betreft het tweede bezwaar:

„dat het in casu niet afdoet, dat de reclamant minder dan 90 dagen in die woning heeft doorgebracht, waar de wet aan het gedurende meer dan 90 dagen beschikbaar houden eener woning de belastigplichtigheid verbindt;

„O. ten aanzien van het derde bezwaar:

«dat het meergenoemde pand te O. op verschillende tijdstippen van het jaar door den reclamant (somtijds in vereeniging met andere medeeigenaren) wordt betrokken, om huren en pachten te innen;

„dat na vertrek wel de tapijten opgenomen en de gordijnen afgenomen, de pomp buiten werking wordt gesteld en de gasornamenten worden verwijderd, doch dat een en ander zoodanig geschiedt, dat de voorwerpen door herplaatsing onmiddellijk weder in gebruik kunnen worden gesteld;

„dat door zoodanige behandeling der meubelen, die hoofdzakelijk de bedoeling verraadt, om de meubelen in goeden staat te bewaren, naar het ons voorkomt, eene gemeubileerde woning in het algemeen haar karakter als zoodanig niet verliest;

„0., dat uit het vorenstaande blijkt, dat de reclamant gedurende meer dan 90 dagen van het belastingjaar 1902 eene gemeubileerde woning in de gemeente O. beschikbaar heeft gehouden, zoodat de raad van evengenoemde gemeente den reclamant o. i. terecht, conform het bepaalde bij art. 245, 2°., der gemeentewet in den hoofdelijken omslag voor 4/i2 gedeelten van den aanslag over een vol jaar heeft betrokken." Prov. verslag Noord-Brabant 1903; Gemst. 2765.

75. Een appellant, aangeslagen in den hoofdelijken omslag der gemeente Losser over 1902, beweerde in deze gemeente niet belastingplichtig te zijn, omdat hij er niet woonde en evenmin viel onder een der andere bepalingen van art. 245 der gemeentewet.

De gemeenteraad van Losser voerde aan, dat appellant en zijne broeders en zusters in gemeenschappelijk bezit hadden eene in die gemeente gelegen villa, welke sedert eenige jaren gemeubileerd was en althans in het jaar 1902 gedurende meer dan 90 dagen gemeubeld was geweest; dat in 1902 appellant en diens broeders deze villa bij afwisseling hadden bewoond en dat, ofschoon appellant van de bedoelde villa geen 90 dagen gebruik had gemaakt, de raad gemeend had de billijkheid in acht te nemen door niet alle eigenaren en gebruikers van de villa als forensen aan te slaan, maar enkel appellant als den oudste van hen.

ft

Sluiten