Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ged. Staten verleenden aan den appellant ontheffing van den aanslag, daarbij overwegende, dat in het door den raad aangevoerde geen voldoende grond gelegen was om appellant in den hoofdelijken omslag der gemeente Losser over het jaar 1902 aan te slaan, dat met name het zyn van mede-eigenaar van eene woning geenszins het recht insluit om over die woning te beschikken en een aanslag van één mede-eigenaar voor allen door niets gewettigd is. Prov. verslag Overijssel over 190?ï.

76. Wordt een gedeelte van een huis door iemand voor zich beschikbaar gehouden, dan maakt dit op zich zelf eene .gemeubelde woning" uit, die hem als forens belastingplichtig doet zijn. Genist. 2651.

77. Een reclamant, woonachtig te Zonnemaire, was in de gemeente Brouwershaven aangeslagen wegens het aldaar beschikbaar hebben van eene gemeubelde woning. De reclamant beweerde niet belastingplichtig te zijn op grond, dat niet de geheele woning maar slechts een deel daarvan gemeubileerd was.

Uit overweging, dat eene woning, ook al is slechts een gedeelte gemeubileerd, in den zin der wet als eene gemeubelde woning moet worden beschouwd, werd het beroep ongegrond verklaard. Ged. Staten Zeeland 18 October 1902 no. 16; Gernst. 2666; W.B.A. 2786.

78. Ook gedurende den tijd, dat een gemeubelde woning gesloten is, wordt de rechthebbende geacht die voor zich „beschikbaar" te houden en valt hij dus onder art. 245, 2°., gemeentewet. Gemst. 2656.

79. De heer 0. H. H., directeur van de naamlooze vennootschap

„Hollandia", wonende te Vlaardingen, was over 1903 in de gemeente Bolsward, waar eene fabriek van die vennootschap is gevestigd, voor vier maanden in den hoofdelijken omslag aangeslagen. Tegen dezen aanslag had de heer H. bezwaar op grond, dat hij noch inwoner, noch tijdelijk inwoner van de gemeente Bolsward is en zich daar slechts een enkele maal in het jaar ophoudt om de fabriek te inspecteeren. Ged. Staten hebben zijne reclame in beroep afgewezen op grond van de volgende overwegingen :

„dat de reclamant is aangeslagen op grond van art. 245, eerste lid, sub 2°., der gemeentewet;

„dat de raad mededeelt, dat het hem, reeds bij den bouw van het heerenhuis naast de bovengemelde fabriek, zoowel van den aannemer als van den fabriekschef bekend was, dat deze huizinge niet was bestemd alleen voor den fabriekschef, maar voor een deel uitsluitend voor den reclamant;

„dat dan ook twee kamers a la suite met logeerkamer voor den reclamant zijn gereserveerd; dat de fabriekschef van deze kamers noch geheel, noch gedeeltelijk mag gebruik maken voor zijn eigen

Sluiten