Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

er niet en is er ook niet in te richten; koken kan er evenmin geschieden, daarvoor is het ook niet ingericht.

Ged. Staten hebben het beroep ongegrond verklaard op grond: dat ook uit een plaatselijk onderzoek, ingesteld door eene commissie uit hun midden, was gebleken, dat door appellant werkelijk gedurende meer dan negentig dagen van het belastingjaar in de gemeente Lonneker voor zich of zijn gezin eene gemeubelde woning beschikbaar wordt gehouden; dat toch een tot menschelijk gebruik ingericht en overeenkomstig het gebruik, dat er van gemaakt wordt, gemeubeld gebouw — hoewel niet voor nachtverblijf bestemd — onder het begrip „gemeubelde woning" is te begrijpen. Prov. verslag Overijssel over 1901.

In gelijken zin Prov. verslat/ Overijssel over 1900 en Genist. 252G.

93. Eene gemeubelde kamer is even goed als een gemeubeld optrekje te beschouwen als eene „gemeubelde woning" in den zin van art. 245 gemeentewet. Gemst. 2685.

94. Al staat een huis met het oog op de personeele belasting ten name van den eigenaar, zoo kan deze toch niet gezegd worden de vertrekken, die hij aan zyne bedienden heeft afgestaan, voor zich beschikbaar te houden. Houdt hij (het betrof een elders wonenden eigenaar eener boerderij) een vertrek voor zich beschikbaar, dan is deze als eene „gemeubelde woning", althans als eene inrichting tot persoonlijke uitoefening van een bedrijf (van beheerder der boerderij) te beschouwen, ook al maakt de eigenaar er zelden of geen gebruik van. Gemst. 2663.

95. Een appellant, ingezetene van Stad Almelo en eigenaar van een onder Ambt Almelo gelegen buitengoed, waarop een gemeubeld tuinhuis stond, was aangeslagen in den hoofdelijken omslag van Ambt Almelo over 1903, omdat hij geacht werd in deze gemeente gedurende meer dan 90 dagen van het belastingjaar voor zich of zijn gezin eene gemeubelde woning beschikbaar te hebben gehouden.

Appellant beriep zich op een door hem overgelegd huurcontract, aangegaan met een ingezetene van Ambt Almelo, waarbij deze met ingang van 1 Januari 1903 het aan appellant toebehoorende tuinhuis had gehuurd ; en hij beweerde door dat contract de vrije beschikking over zijn eigendom te missen, althans niet gezegd te kunnen worden het bedoelde gebouw in het jaar 1903 voor zich of zijn gezin beschikbaar te hebben gehouden.

De beschikking van Ged. Staten, waarbij dat beroep ongegrond verklaard werd, berustte op deze overwegingen: „dat voorzegd contract, blijkens de onderteekening, is opgemaakt den lsten Mei 1903 en geregistreerd den 4den Mei d.a.v.; dat bijgevolg door dat stuk niet kon worden bewezen, dat de rechten van den eigenaar op het daarin genoemde

Sluiten