Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

KANTOOR.

die, elders wonende, eene fabriek in eene gemeente hebben zonder

aldaar kantoor te houden, en die hunne fabriek slechts enkele dagen per week bezoeken, de zaken overigens aan de leiding van een fabrieksbaas overlatende, wegens tijdelijk verblijf in den hool'delijken omslag zullen zijn aan te slaan."

Daarop luidde het antwoord in de M.v.A.:

„De vraag of personen, die zonder aldaar kantoor te houden eene fabriek in eene andere gemeente bezoeken, in die gemeente belastingschuldig zullen zijn, is ontkennend te beantwoorden. Zij vallen niet in de termen van de voorgestelde wetsbepaling."

Bij de discussie in de Tweede Kamer (1 April 1897, Hand. bl. 1161) sprak de Min. van binn. zaken nog het volgende:

„Wat een winkel, werkplaats, kantoor of andere inrichting tot persoonlijke uitoefening van betrekking, beroep of bedrijf is, kan aan zeer weinig twijfel en moeilijkheid bij de uitlegging onderhevig zijn. Er is alleen bijgevoegd „tot persoonlijke uitoefening" om hier de mogelijkheid buiten te sluiten, deze belasting toe te passen enkel en alleen omdat men op eene andere plaats voor zijne rekening eene zaak doet administreeren, zonder dat men de persoonlijke leiding daarvan heeft en daarvoor eene installatie heeft, waardoor men in de bepaling sub 2°. valt.

„Het persoonlijk verblijf is het uitgangspunt van de belastingschuldigheid, doch alleen, als men ten behoeve van dat verblijf eene installatie bezit of eene vaste dienstbetrekking vervult."

103. Uit de vergelijking van nos. 2 en 4 van art. 245 gemeentewet volgt, dat voor de toepasselijkheid van no. 2 aanwezigheid op het kantoor niet gevorderd wordt. Heeft een elders wonend bestuurder van een bedrijf een in de gemeente gelegen kantoor voor zich ingericht, zoodat hij daarvan gebruik kan maken wanneer hij wil, dan is hij in deze gemeente belastingplichtig, ook al komt hij er nooit. Gemat. 2574.

104. Een koopman, wiens kantoor en verdere inrichtingen gelegen waren op de grens tusschen de gemeenten Amsterdam en Watergraafsmeer, was te Watergraafsmeer, op grond van artikel 245, 2°., der gemeentewet in den hoofdelijken omslag betrokken, omdat voormeld kantoor en inrichtingen voor een gedeelte in deze gemeente waren gelegen.

Uit een ingesteld onderzoek en overgelegde teekeningen bleek, dat de bewering van het gemeentebestuur van Watergraafsmeer juist was, voor zooveel de ligging der perceelen betrof, doch tevens dat reclamants bedrijf te Amsterdam was gevestigd en dat alleen de ligging van zijne terreinen op de grens van de gemeente Watergraafsmeer maakte, dat een deel der voor zijn bedrijf benoodigde inrichtingen gelegen waren in het grondgebied van die gemeente, zonder evenwel uit die gemeente toegankelijk te zijn.

Sluiten