Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gemeentewet, op den door den raad gestelden grond niet in den hoofdelijken omslag aldaar kan worden aangeslagen; dat toch het ambt van beheerder van een gemeentelijken reinigingsdienst ongetwijfeld is „eene openbare betrekking"' en daarbij niet van invloed kan zijn de omstandigheid, dat tot dien dienst ook behoort het verrichten van werkzaamheden voor particulieren. Prov. verslag Overijssel over 1904; W.B.A. 2962.

107. De leden eener te Rotterdam gevestigde firma dienden bij Ged. Staten een bezwaarschrift in tegen den aanslag van ieder hunner in de plaatselijke directe belasting naar het inkomen te Amsterdam op grond, dat zij naar hun gevoelen aldaar niet belastingplichtig waren.

Uit de door reclamanten verstrekte inlichtingen bleek, dat bedoelde firma te Amsterdam eene agentuur had, te wier behoeve vroeger de firma zelve, nu echter haar agent de eerste verdieping van genoemd perceel, bestaande uit een kantoor, met kamertje daarnaast en monsterkainertje voor berging van monsters tabak, in huur had.

Deze localiteit was in den regel in gebruik bij gemelden agent, maar tevens werd zij, vooral na afloop der inschrijvingen voor den aankoop van tabak, waarvoor een der firmanten geregeld te Amsterdam aanwezig was, door de firmanten gebruikt om daar persoonlijk te onderhandelen over zaken, den tabakshandel betreffende, welke niet zóó doelmatig konden behandeld worden ten kantore van den gewonen makelaar der firma of in het voor veilingen bestemd lokaal.

Door voormelde inlichtingen wei-d, naar het gevoelen van Ged. Staten, aangetoond, dat reclamanten te Amsterdam eene in artikel 245, sub 2°., der gemeentewet bedoelde inrichting beschikbaar hadden tot persoonlijke uitoefening van hun bedrijf als kooplieden in tabak, weshalve zij tot behoud der aanslagen hebben besloten. Prov. verslag Noord-Holland over 1900.

108. Een agent in tapijten van buitenlandsche huizen, die zich een paar malen per week naar eene andere gemeente dan zijne woonplaats begaf, was aldaar overeenkomstig de bepaling van art. 245, sub 2°., der gemeentewet in de plaatselijke belasting aangeslagen, op grond dat hij in die gemeente een kantoor tot bergplaats van stalen van tapijten had en daar driemaal per week kwam om keuze te maken voor de mede te nemen monsters.

Uit een ingesteld onderzoek bleek echter, dat hij zijne zaken dreef in de gemeente zijner woonplaats, alwaar hij eene localiteit voor kantoor had ingericht; dat hij vandaar -zijne handelsbrieven schreef en aldaar ze ontving; dat hij 1, 2 a 3 maal per week naar de gemeente kwam, waar hij als „forens" was aangeslagen, en dan dikwijls het kantoor van iemand zijner kennis bezocht; dat hjj echter op dit kantoor nimmer eenige zaken deed en aldaar ook niets als b.v. een lessenaar, papier of

Sluiten