Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

evenwel niet vereenigen; naar hunne meening toch kon bedoeld door de vennootschap beschikbaar gehouden kantoor, waar een bediende gedurende vier dagen per week de vereischte werkzaamheden kwam verrichten, niet geacht worden tot persoonlijke uitoefening van reclamants betrekking beschikbaar gehouden te worden, weshalve zij den aanslag vernietigden. Prov. verslag Noord-Holland over 1904; W.B.A. 2951.

114. Vernietigd werd de aanslag van een lid eener firma, die was aangeslagen door het bestuur der gemeente, waar bedoelde firma was gevestigd, op grond dat hij, hoewel elders wonende, als beheerend vennoot der firma gedurende meer dan 90 dagen van het belastingjaar een kantoor tot persoonlijke uitoefening van een beroep of bedrijf voor zich beschikbaar hield. Het gemeentebestuur ging hierbij uit van het beginsel, dat een besturend lid eener vennootschap onder firma, ook zonder dat hij ook maar een enkelen keer in de gemeente van aanslag komt, uit den aard zijner betrekking, geacht moet worden het kantoor der firma tot persoonlijke uitoefening van een beroep of bedrijf voor zich beschikbaar te houden en derhalve belastingschuldig te zijn ex art. 245, sub 2°., der gemeentewet.

Deze stelling achtten Ged. Staten in hare algemeenheid onjuist, daar het door den aard en den omvang der werkzaamheden, welke de firmant aldaar verricht, bepaald wordt, of die firmant het kantoor voor zich beschikbaar heeft tot persoonlijke uitoefening van zijn bedrijf- Toen hun nu uit reclamants verhoor bleek, dat hij in hoofdzaak belast was met den inkoop van granen, welke hij op verschillende plaatsen, althans buiten de gemeente, waar hij was aangeslagen, deed; dat hij daarna den uitslag zijner handelingen mededeelde aan zijne mede-firmanten in of buiten bet kantoor der firma en daar ook vernam, welke zaken door die mede-firmanten waren gedaan, doch dat hij in dat kantoor geene zaken deed, geene bezoeken ontving, geene correspondentie voerde of andere zaken van welken aard ook verrichtte, waren zij van meening, dat deze omstandigheden den aanslag van reclamant niet wettigden. Prov. verslag Noord-Holland over 1904; W.B.A. 2951; Genist. 2814.

115. Een koopman te Parijs betwistte in een bezwaarschrift de wettigheid van zijn aanslag in de plaatselijke directe belasting te Amsterdam, dienst 1898/1899, daarbij aanvoerende:

a. dat hij woonachtig was en zijn hoofdverblijf had te Parijs en daarom niet kon getroffen worden door belastingen, welke door eene gemeente in Nederland worden geheven;

b. dat, al mocht dit onjuist geacht worden, hij gedurende het dienstjaar 1898,1899 niet verkeerde in het door het gemeentebestuur van Amsterdam veronderstelde geval (dat van art. 245, sub 2°., der gemeentewet).

Ged. Staten waren van oordeel, dat reclamant terecht werd aangeslagen,

Sluiten