Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van Wormerveer verstrekt, de aanslag plaats had, omdat reclamant belastingplichtig wordt geacht als verkeerende in het geval sub art. 24o, 2°.,

der gemeentewet omschreven;

Overwegende, dat de raad dit geval aanwezig acht, omdat reclamant te Wormerveer beschikbaar houdt een kantoor, waarin dagelijks door het aan reclamant ondergeschikt personeel zaken worden behandeld en werkzaamheden worden verricht ten behoeve van het bedrijf door reclamant

beheerd; ,

Overwegende echter, dat daarin niet ligt opgesloten het voor zich beschikbaar houden van een kantoor of inrichting ter persoonlijke uitoefening van het bedrijf, hetgeen noodig zou zijn om den aanslag op dezen

grond te rechtvaardigen;

Overwegende, dat ook uit door reclamant — daartoe gehoord — afgelegde verklaringen geenszins blijkt, dat hij ter persoonlijke uitoefening van zijn beroep te Wormerveer eenige inrichting beschikbaar houdt, dat hij het kantoor aldaar 2 a 3 malen per maand bezoekt, er soms de correspondentie inziet en met zijn procuratiehouder over zaken spreekt, maar dat hij er geen correspondentie voert, geene andere personen over handelszaken aanhoort, dat hij er kantoor, persoonlijk geen bedrijf uitoefent;

Overwegende, dat dus de rechtmatigheid van den grondslag, waarop de aanslag plaats had, niet is gebleken;

Gelet op desbetreffende bepalingen der gemeentewet;

Besluiten:

den aanslag van P. Smidt van Gelder in de plaatselijke directe belasting naar het inkomen te Wormerveer dienst 1902 te vernietigen. Dec. Ged. Staten Noord-Holland 1902; W.B.A. 2792.

117. Naamlooze vennootschappen. Over den aanslag van deze en van hare directeuren en commissarissen is heel wat geschreven en gesproken.

Blijkens het V.V. der Tweede Kamer betreffende het ontwerp der wet van 24 Mei 1897 (Stbl. no. 156) wenschten eenige leden de naamlooze vennootschappen in den omslag te betrekken, .wanneer aan de gemeente niet wordt vergund plaatselijke bedrijfsbelasting te heffen. De vennootschappen deelen toch in de voordeelen, welke de gemeente aan hare ingezetenen verschaft en niet zelden geven hare inrichtingen aanleiding tot vestiging van eene talrijke arbeidersbevolking, welke groote uitgaven voor onderwijs en armenzorg noodig maakt.

Blijkens de M.v.A. deelde de Begeering in dit gevoelen niet. Zij schreef: „De Rijks wetgever handhaafde nevens de bedrijfsbelasting voor natuurlijke personen de dividendbelasting der naamlooze vennootschappen. Een hoofdgrond voor deze beslissing, die naar het schijnt daarbij den doorslag gaf, kan niet ten gunste harer belasting ten behoeve der gemeente worden

Sluiten