Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aangevoerd, nl. dat het patentrecht op de dividenden een last was, die van ouds op de aandeelen in vennootschappen drukte en in de waardebepaling daarvan was gedisconteerd en geamortiseerd, en dat zijne afschaffing dus niet alleen niet door de billijkheid werd geboden, maar zelfs eene onbillijke werking zou hebben gehad. Eene gemeentelijke belasting van de dividenden zoude ook zonder geldige reden alleen ten goede komen aan den zetel der vennootschap, die natuurlijk dadelijk zou worden verplaatst naar eene gemeente zonder directe belasting. Eene belasting enkel van de door naamlooze vennootschappen uitgeoefende bedrijven, ter plaatse van uitoefening en alleen met het oog op de in de gemeente gevormde winsten, zou evenmin te verdedigen zijn. Bij zoodanige belasting behooren handelspersonen en natuurlijke personen op gelijken voet te worden behandeld."

Ook in het V.V. der Eerste Kamer kwam men hierop terug. Men wees er op, dat voor de gemeente het gekozen stelsel het financieel zeer nadeelig gevolg heeft, dat daardoor de naamlooze vennootschappen bijna geheel aan de gemeentebelasting ontsnappen, ofschoon vele dezer in ruime mate van de gemeentezorg, bijv. van eene goede politie, eene goede brandweer enz. voordeel trekken, of wel de gemeentelijke uitgaven, bijv. die van het onderwijs, zeer kunnen doen stijgen. „Is het bijv. te verdedigen dat, als door eene naamlooze vennootschap eene groote fabriek in eene gemeente wordt gevestigd, ten gevolge waarvan de gemeente tot het bouwen en onderhouden eener nieuwe school, misschien ook tot uitbreiding van het politiepersoneel en tot andere uitgaven wordt verplicht, zulk eene vennootschap nagenoeg niet in de gemeentebelasting bijdraagt?"

Hetgeen hier werd opgemerkt, is, volgens de M.v.A. Ie K., „een argument voor het belasten der inkomsten bij de bron. Maar door het belasten van naamlooze vennootschappen op zich zelve zou wél dubbele belasting van eene categorie van inkomsten worden verkregen, niet de belasting bij de bron, zooals in het verslag wordt gewenscht. Immers zou de naamlooze vennootschap worden aangeslagen ter plaatse van vestiging, niet ter plaatse, waar zij hare onderneming uitoefent. In dit opzicht zijn de mogelijke gevolgen van vestiging eener fabriek ter plaatse, waar de eigenaar niet woont, dezelfde, onverschillig of die eigenaar een natuurlijk persoon of een rechtspersoon zij."

Kunnen dus naamlooze vennootschappen zelf niet in den hoofdelijken omslag aangeslagen worden, anders is het met hare directeuren en commissarissen. Te dien aanzien zeide de Minister van binn. zaken in de zitting der Tweede Kamer van 1 April 1897 (Hand. blz. 1164):

„Belastingplichtig is hij, die eene vaste installatie heeft voor de uitoefening van zijn bedrijf. Is hij directeur van eene naamlooze vennootschap en is voor hem een eigen kantoor ingericht, dan valt hij onder

5*

Sluiten